Splijtstof interviewt Martin Drenthen

Auteur(s): Senne Nout, Piet Wiersma | Categorie: Status Quaestionis

Dr. Martin Drenthen, expert op het gebied van milieufilosofie, is Universitair hoofddocent Philosophy aan het Institute for Science, Innovation and Society, een speciaal onderdeel van de Nijmeegse Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica, opgericht in 2005 met als doel om de maatschappelijke inbedding van wetenschap door middel van onderzoek te analyseren, evalueren en verbeteren. Wij, twee dappere redacteurs, waagden de oversteek van het Erasmus- naar het Huygensgebouw. In dit filosofische ‘buitengewest’, tussen de opgezette dieren en plantenweelde, spraken we Drenthen over milieu-ethiek, wildheid, veldwerk en lastige natuur – en is die kloof tussen ‘onze’ filosofie hoog in de toren en de filosofie van de natuurwetenschappen nou echt wel zo groot?

 

Wat kunt u vertellen over uw onderzoek en uw positie op deze faculteit?

“Ik ben universitair hoofddocent bij het ISIS, het Institute for Science, Innovation and Society, een instituut dat is voortgekomen uit verschillende afdelingen binnen de bètafaculteit, zoals Filosofie van Natuurwetenschappen, Wetenschap en Samenleving en Sociaal Wetenschappelijke Milieukunde – die op een niet-natuurwetenschappelijke manier met vragen bezig zijn die de natuurwetenschappen wel raken. Er bestaat hier officieel geen afdeling filosofie meer, maar desondanks zit er nog een flink aantal filosofen. Ik werk hier nu twaalf jaar. Hiervoor heb ik aan het Centrum voor de ethiek op de filosofie faculteit mijn proefschrift geschreven, daarover zal ik straks meer vertellen. Sinds vier jaar leid ik een VIDI onderzoeksproject, waar ik met een postdoc en twee promovendi een nieuwe milieu-ethiek probeer te ontwikkelen. Een die een nadrukkelijk vertrekpunt heeft in de waarderingen en ervaringen van de natuur, en de manier waarop deze altijd verweven zijn met zelfinterpretaties. We proberen dus een hermeneutische milieu-ethiek te ontwikkelen.

De casus waar ik me specifiek op richt is de problematiek rondom natuurontwikkeling. Er is een interessant debat gaande dat grofweg te verdelen is in twee dominante kampen. Enerzijds zijn er de cultureel erfgoedbeschermers: de mensen die het landschap waarderen omdat het cultureel erfgoed is, bijvoorbeeld omdat ze zich er thuis voelen of omdat er traditie is neergelegd. Anderzijds zijn er de natuurontwikkelaars – of mensen die ik rewilders zou noemen: een interessante term waar ik straks op terug zal komen – die stellen dat het landschap op de schop moet omdat de cultuur te antropocentrisch is geweest, en hierdoor de natuur gedomineerd heeft en kapot heeft gemaakt. Zij stellen dat we nu juist een andere afslag moeten nemen. Als mensen zich vanwege die afslag minder thuis voelen in de natuur dan is dat maar zo: dan moet je daar aan wennen en jezelf opnieuw thuis leren voelen in het nieuwe, ‘wildere’ landschap.

Wat je hierbij ziet is dat dit debat erg makkelijk escaleert. Het is een debat van twee dove partijen die tegenover elkaar staan en die niet in staat lijken elkaar te begrijpen, omdat de taal waarvan ze zich bedienen zo verschrikkelijk verschillend is. De natuurbeschermers hebben het bijvoorbeeld over de waarde van biodiversiteit, over zeldzame soorten, of over de noodzaak de natuur in staat te stellen de klimaatverandering te verwerken. Terwijl de mensen die in een cultuurlandschap willen wonen zich van een heel ander type verhaal bedingen: zij leggen de focus op het landschap. Het landschap vertelt een verhaal over waar mensen thuis horen; hoe de natuur iets is dat aan ons overgeleverd is in een historisch specifieke gedaante, iets dat wij op onze beurt moeten doorgeven aan degenen die na ons komen.

De standaardmanier waarop de meeste milieu-ethici – en ethici überhaupt denk ik – dat soort conflicten benaderen is door te onderzoeken wat de onderliggende waardeoordelen van die perspectieven precies zijn, om hier vervolgens een optimalisatie van te maken. Is er geen manier te vinden waarop de mensen zich toch thuis voelen in de natuur, terwijl het ook beter gaat met de biodiversiteit? Het is enerzijds een heel oplossingsgerichte ethiek, maar anderzijds ook een ethiek die de zaak meteen conceptualiseert in termen van tegenstrijdige of elkaar uitsluitende waarden. Daarom zie je ook vaak dat bepaalde oplossingspogingen uiteindelijk tot veel frustratie kunnen leiden; mensen nemen soms een compromis aan omdat ze het gevoel hebben dat er niet meer voor hen in zit. Tegelijkertijd hebben ze het gevoel dat hun eigenlijke punt niet gehoord is.

Dat is waar mijn project begint. Ik geef dan aan: volgens mij moeten die geïsoleerde waardeoordelen – de verschillende elementen in het landschap die gewaardeerd worden – niet als uitgangspunt genomen worden, maar moet je die zaken in hun samenhang onderzoeken. Daarna kan je kijken naar de manier waarop die waardeoordelen een rol spelen in morele narratieven. Een landschap vertelt namelijk een verhaal dat op een bepaalde manier een morele claim op ons legt. Hierbij bestaan evengoed conflicterende verhalen, maar die zijn veel meer intrinsiek conflicterend. Sommige versies van het natuurontwikkelingsperspectief bijvoorbeeld zijn heel nadrukkelijk als cultuurkritiek bedoeld. Daarbij gaat het niet alleen maar over de waardering van bepaalde vogeltjes, maar om het ontwikkelen van een ander perspectief op wat het betekent om mens te zijn, en wat de rol van de mens in dat landschap moet zijn.

In mijn project maak ik zowel die narratieven als de morele structuur daarbinnen veel explicieter. Ik bekijk op welke manier die wereld wordt verteld zodat daar een morele claim uit voortkomt. Wat ik daar vervolgens aan toevoeg is een element dat ik – geïnspireerd door hermeneutische filosofen zoals Ricœur – ‘het lezen van het landschap’ noem. Hiermee wordt bedoeld dat de verhalen die we vertellen altijd gebaseerd zijn op teksten die we recht proberen te doen. Ook al bestaan er verschillende interpretaties van een tekst, dan wil dat nog niet zeggen dat elke interpretatie even goed is. Die interpretaties zijn precies met elkaar in gesprek omdat ze het over de betekenis van dezelfde tekst proberen te hebben. Ik probeer te kijken hoe het model van een landschap als een leesbare tekst kan helpen om een ander ethisch perspectief te ontwikkelen. Een milieu-ethiek waarbinnen de verschillende perspectieven over het landschap op een andere manier geduid kunnen worden.

Een goed ethicus probeert denk ik altijd het gesprek tussen de verschillende stemmen vruchtbaar te maken, omdat die partijen iets van elkaar te leren hebben. De natuurontwikkelaars aan de ene kant zien bijvoorbeeld niet goed dat de landschappen ook altijd mensenlandschappen zijn, en dat zelfs wat wij ‘wildernis’ noemen nog verwikkeld zit in een cultuurgeschiedenis waarin die begrippen op een gegeven moment ontstaan zijn. Veel mensen die een claim op cultureel erfgoed leggen, aan de andere kant, erkennen vaak onvoldoende dat die cultuur nou eenmaal bestond bij gratie van een ecosysteem dat allerlei ondersteunende functies vervulde – en dat sommige culturele praktijken waar we ons misschien in thuis voelen niet houdbaar zijn op lange termijn, nu we eenmaal weten hoe de ecologie ervan in elkaar steekt. Dus die twee perspectieven hebben elkaar wat te vertellen.

De posities die het conflict tussen de cultuur- en natuurbeschermers kenmerken vormen in mijn ogen dus de twee meest dominante perspectieven, maar er zijn uiteraard nog veel meer perspectieven. Daarnaast ontstaat er bijvoorbeeld ook steeds meer een conflict tussen de rewilders en ‘klassieke’ natuurbeschermers. De rewilders hebben een vrij radicale kijk op de manier waarop de natuur weer in staat gesteld moet worden haar eigen gang te gaan. Als de natuur bijvoorbeeld dingen doet die wij niet van tevoren wilden, dan zijn wij maar diegenen die zich moeten leren aanpassen. Het klassieke perspectief van de natuurbescherming heeft een heel ander uitgangspunt. Zij vragen zich af wat nou de soorten zijn die op dit moment leven in de landschappen zoals wij die gemaakt hebben de afgelopen duizenden jaren. Hebben we daar niet een verantwoordelijkheid voor? Hebben wij niet de verantwoordelijkheid voor die soorten die wij in een bepaalde niche hebben geduwd, die nu – omdat wij plotseling onze praktijken veranderen – bedreigd worden?

Zo zie je al, dat is een heel ander type morele ervaring die daar aan ten grondslag ligt. Je zou kunnen zeggen: de klassieke natuurbeschermer ziet vooral de kwetsbare natuur en voelt dat die de verantwoordelijkheid heeft om die kwetsbaarheid te beschermen, om zich daarover te ontfermen, of daar voor te zorgen. Die zal dan zeggen dat het er voor die rewilders kennelijk niet toe doet welke soorten bestaan, als de natuur zich maar kan ontwikkelen. Die zijn dus kennelijk onverschillig tegenover dat ene kwetsbare plantje dat duizenden jaren hier geleefd heeft dat nou dreigt te verdwijnen. Terwijl de rewilders evengoed een bepaald soort morele ervaring van de natuur aanhangen, namelijk de natuur als dat imposante grote ding waarbij de mens die denkt dat hij nodig is om die natuur te laten voortbestaan zichzelf heel belangrijk maakt: dat is hubris, menselijke hoogmoed. Zij zeggen dus dat de natuurbeschermers die graag vast willen houden aan de natuur zoals die nu bestaat, de natuur niet de kans geven om zichzelf te ontwikkelen; ze maken er één grote tuin van.

Uiteraard zijn dit allebei karikaturen, en als je beter naar de praktijken kijkt dan zie je dat ook. Je ziet dat de rewilder, ondanks het standpunt dat de natuur zich vrij moet ontwikkelen, zich wel degelijk bekommert om de concrete plantjes. En dat de natuurbeschermer die zich bekommert om een concreet plantje, niet de intentie heeft er ‘een tuin van te maken’. Die twee morele momenten bekritiseren elkaar maar houden elkaar zodoende ook in evenwicht. Zorg is goed, maar zodra zorg bemoeizorg wordt of totalitair, is het problematisch. Respect voor de autonomie van de natuur is prima, maar als dat in onverschilligheid omslaat dan is dat problematisch. Daar zie je al dat deze twee perspectieven een hele productieve dialoog met elkaar kunnen aangaan. Wanneer beide partijen zich bewust worden van hetgeen de ander probeert te verwoorden, dan zien ze misschien dat de twee morele momenten allebei belangrijk zijn voor een evenwichtige houding. Dat zou de winst zijn van zo’n dialoog tussen deze twee perspectieven.

Daarnaast zijn er ook nog heel andere perspectieven. Je hebt bijvoorbeeld het typische boerenperspectief, dat als uitgangspunt heeft: wij mensen moeten eten en hebben het recht om voedsel voor onszelf te verbouwen. Als er vruchtbare grond is die daarvoor geschikt is dan is het ondankbaar en onverantwoordelijk om die grond niet te gebruiken voor voedselproductie. Ik vind dit perspectief persoonlijk wat lastiger om te duiden. Het is typisch een standpunt dat ik nog in mijn vingers probeer te krijgen: wat zit daar nou precies voor morele claim, en wat voor rol speelt de natuur in die claim? Het bevat natuurlijk wel een basale waarheid. Hoe groen je ook wilt zijn, we kunnen alleen maar leven door ander leven op te eten. Dit perspectief bevat elementen die erg makkelijk vergeten of verdonkeremaand kunnen worden door natuurbeschermers, maar daarmee geef je impliciet toe: natuur doen we hier, en op die andere plekken mogen we graaien. Als je zoekt naar een geïntegreerde visie op de plaats van de mens in het landschap, dan zou voedselproductie daar op een bepaalde manier een rol in moeten spelen.

Ik heb nu vier verschillende posities genoemd, maar als je naar concrete perspectieven gaat kijken dan laat zich dat helemaal niet zo simpel schematiseren. Soms zegt iemand iets interessants terwijl dat helemaal niet in een van die hokjes valt. Dat moet je dan proberen te duiden. In dat schematiseren ligt natuurlijk deels precies je bijdrage als filosoof. Als filosoof probeer je grondpatronen te herkennen, en dat ook terug te geven, want dat is ook de rol van een project als dit: je probeert zaken die impliciet het debat structureren expliciet te maken. Daarmee verhelder je, maar van de andere kant versimpel je natuurlijk ook. Wanneer mensen zich niet in een perspectief herkennen, omdat ze er uiteraard nooit helemaal mee samenvallen en vaak zelf ook wel doorhebben dat een bepaald perspectief beperkt of eenzijdig is, dan wordt er wel een moment van reflectie gecreëerd. Het opent een dialoog of een gesprek met jezelf.  Dat is waar ik me nu in mijn project mee bezig hou.”

 

Is er ook een positie waar u zelf het meest naar neigt?

“Ja, dat is een lastige. Het idee van wildheid – en dat we die wildheid op een bepaalde manier een rol zouden moeten geven in ons moderne leven – is wel een idee dat me enorm fascineert. Dat gaat terug op mijn proefschrift over Friedrich Nietzsche, dat ik schreef onder leiding van Paul van Tongeren. Wat ik daarin formuleerde was een nietzscheaanse kritiek op de milieufilosofie, omdat die in mijn beleving in zekere zin te moralistisch was. Een van mijn morele ervaringen in de natuur was nou juist dat die natuur een andere wereld is, die de mens op zijn plek zet. De Nederlandse schrijver Koos van Zomeren heeft daar ooit een mooi stukje over geschreven. Van Zomeren was jarenlang politiek actief in de radicaal socialistische beweging, en daar is hij op een gegeven moment uitgestapt omdat je daarbinnen overal een mening over moest hebben. De natuurlijke wereld was in zijn ogen precies zo’n wereld waar je geen mening over hoeft te hebben. De natuur is wat ze is en die trekt zich niks aan van wat jij vindt. Daar gaat een soort heilzame relativering van uit die ook heel krachtig kan zijn omdat het tegelijk een protest is tegen de manier waarop de mens zich voortdurend belangrijker maakt dan hij is.

Met die moraalkritiek en dat idee van wildheid wilde ik verder omdat het morele motieven bevat die ik heel interessant vind, ook om theoretische redenen: het beeld van een amorele natuur wordt gebruikt als een moreel argument tegen de moraal, om het op Nietzscheaanse manier te verwoorden. De zelfreferentialiteit bij Nietzsche vormt een heel interessant en spannend filosofisch patroon. Toen ik ging kijken hoe die theorie nou resoneert met praktijksituaties en met bestaande discussies, bleek dat veel natuurbeschermers en natuurontwikkelaars zich zelf ook bewust waren van vergelijkbare paradoxen. Mensen die wildernis willen ‘maken’ zien zelf ook in dat ze het natuurlijk eigenlijk helemaal niet willen ‘maken’. ‘We geven een zetje en daarna proberen we het los te laten’, is dan de gedachte. Ze zijn zich goed bewust van het feit dat daar een soort tegenspraak of paradox in zit. Dan blijkt in een keer dat het ingewikkelde filosofische model dat onder Nietzsche’s moraalkritiek zit wel degelijk een rol speelt in de praktijkdiscussies.

Dat fascineert me. In eerste instantie als intellectueel, maar ook omdat die morele ervaring voor mij belangrijk is. Dat persoonlijke engagement kan echter problematisch zijn. Ik heb als milieufilosoof juist wat te melden op het moment dat ik mezelf niet laat terugbrengen tot één van die posities. Paul van Tongeren zei ooit dat een intellectueel zich engageert door te des-engageren. Je persoonlijke interesse bepaalt waar je je mee bezig gaat houden, maar vervolgens train je je als filosoof erop om je persoonlijke kijk op de zaken niet doorslaggevend te laten zijn. Aan de ene kant heb ik zelf dat engagement met de wildernis en vind ik de rewilding-experimenten die op dit moment aan de gang zijn erg spannend, maar ik zie tegelijk evengoed hoe problematisch dat perspectief kan zijn.”
Komt er ook veldwerk bij uw werk kijken? Gaat u zelf kijken bij de projecten die opgezet worden?

“Ja, voortdurend. Wat ik vooral veel doe is praten met mensen in en van die praktijken. Er is bijvoorbeeld een platform van verschillende natuurorganisaties, genaamd ‘Wolven in Nederland’, dat zich tot doel heeft gesteld om ervoor te zorgen dat een conflictvrije samenleving met de grote predatoren – die er onvermijdelijk aan gaan komen – mogelijk wordt. Wat ik zag in hun bijdrage aan politieke studies is dat ze soms op een naïeve manier omgingen met menselijke percepties en normatieve ideeën. Toen heb ik aangeboden om eens een discussie bij te wonen. Ten eerste vind ik het namelijk hartstikke interessant en geeft het mij boeiende casuïstiek om over te schrijven, maar ook denk ik dat de soort expertise die je hebt als filosoof en ethicus zo’n groep kan helpen. Bijvoorbeeld om zich beter te realiseren waar ze allemaal mee te maken hebben op het moment dat ze dingen proberen te veranderen in het maatschappelijk debat.

Als filosoof ben je getraind om heel precies betekenissen op het spoor te komen en datgene op te merken waar anderen makkelijk overheen kijken. Ik bestudeer dus wat zij doen en tegelijk probeer ik er voor te zorgen dat ik hen ook iets te bieden heb; dat ik ze kan helpen helder te krijgen wat het is dat ze proberen te doen. Ik ben dus geëngageerd én probeer afstand te houden. Ik wil bijvoorbeeld niet vereenzelvigd worden met ‘Wolven in Nederland’. Ik heb alle begrip voor schapenhouders die niet inzien waarom ze blij moeten zijn met de wolf die eraan komt. Als filosoof ligt daar voor mij een uitdaging. Hoe kunnen we samenleven met beesten die verdomd lastig zullen zijn, en waarom zou je dat willen?

Mateusz Tokarski, een promovendus die onderzoek doet binnen mijn VIDI-project en op dit moment de laatste hand legt aan zijn proefschrift, houdt zich precies met dat vraagstuk bezig. Hoe kunnen we omgaan met lastige natuur? Hoe kan het dat er mensen zijn die dat willen, en wat willen zij dan eigenlijk? Waar staat dat voor, wat betekent het? Willen we lastige natuur omdat het iets is dat er nou eenmaal bij hoort wanneer je een gezond ecosysteem wilt – of zit hier meer achter? Zijn bewering is dat dat eerste te simpel gedacht is. Lastige natuur draagt ook bij aan de betekenis van het leven: het helpt je bij de realisatie dat je niet alleen maar een geest bent, maar ook een lijf dat deel uitmaakt van een ecosysteem – een ecosysteem waarin wordt gegeten.”
U noemde zojuist Nietzsche. Als we u zouden vragen om één favoriete filosoof op te noemen, zou hij het dan zijn?

“Ja, dat is Nietzsche. Al moet ik er wel bij bekennen dat ik daar nauwelijks nog echt mee bezig ben. Het is een denker die mijn manier van kijken enorm heeft beïnvloed. Van begin tot eind ben ik zo’n tien jaar met m’n proefschrift bezig geweest. Zo’n denker vormt je denken. Of, beter gezegd: jij vormt je denken in dialoog met zo’n denker, die af en toe moeilijke vragen stelt die jij moet beantwoorden. Omgekeerd stel jij vragen die je met zijn hulp verder helpen.

Ik ben in zekere zin dus nog steeds een nietzscheaanse milieufilosoof en een nietzscheaans hermeneuticus. De dialoog interesseert me, maar die dialoog is wel een spanningsveld. Het begrijpen van de dialoog bestaat er niet in om die spanning op te heffen, maar juist om te vatten wat erin op het spel staat. Ik zie het als een uitdaging in mijn werk – en ook in de publieksfilosofie in het algemeen – om die spanning te waarborgen. [Lachend:] Zodra alle partijen het met elkaar eens dreigen te worden, dan word ik achterdochtig; dan besluipt me het gevoel dat we het onszelf te gemakkelijk hebben gemaakt. Mocht het desondanks toch gebeuren, dan is het zaak om op zoek te gaan naar een perspectief dat we over het hoofd hebben gezien – dat het debat weer open kan breken. Dat blijken mensen ook interessant te vinden, daarom zoeken ze milieufilosofen op. Ze voelen zelf ook aan dat er meer speelt en willen dat vervolgens kunnen duiden. Wat mensen moeten doen dat weten ze meestal toch wel, daar hebben ze geen filosofen voor nodig.

Nietzsche structureert dus nog steeds mijn denken. Daarnaast schemert hij door in de gevoeligheid die ik heb voor bepaalde thema’s. Als we het echter hebben over de filosofen die ik nu lees, dan zitten we veel dichter bij de milieufilosofie. Deze heeft twee gezichten – tot en met twee internationale vakverenigingen aan toe, waar ik overigens allebei contactpersoon van ben. Enerzijds heb je de International Society for Environmental Ethics. Die vereniging, en de denkers die eraan zijn verbonden, richten zich sterk op het analyseren van concrete casuïstiek. Daarnaast dragen ze het liefst ook bij aan het opschudden van het maatschappelijk debat. Anderzijds heb je de International Association for Environmental Philosophy. Hier vind je veel meer filosofen-filosofen, om het zo maar te zeggen. Die richten zich sterker op de filosofische vragen die milieuproblematiek opwekt en houden wat nadrukkelijker afstand van praktijkgerichte benaderingen. Deze tweede groep zou zich bijvoorbeeld kunnen buigen over Paul Ricœurs notie van emplotment; over de manier waarop de mens zichzelf als deel van een plot van een verhaal ziet. Zij zouden zich kunnen afvragen of ‘plaats’ – emplacement – niet ook een vergelijkbare betekenis zou moeten krijgen in die denkwijze. Op dat moment ben je gewoon met fundamentele filosofie bezig.

Deze tweedeling illustreert hoe ik de milieufilosofie zie: je probeert enerzijds inzichten uit de filosofie te vertalen naar iets dat een constructieve bijdrage kan leveren aan een gesprek over het milieu. Omgekeerd geldt echter evengoed dat je, door je serieus bezig te houden met vragen over milieu, ook een ander licht kunt schijnen op bestaande filosofische theorieën. Een interessant voorbeeld hiervan betreft het inzicht uit de milieufilosofie dat lichamelijkheid ook ecologische verweving betekent. In filosofische studies over dat onderwerp lees je daar veel minder over. In die zin is de milieufilosofie ook een filosofische vernieuwingsbeweging: door andere vragen te stellen worden klassieke filosofische theorieën ineens op een andere manier bevraagd.”

 

Speelden dat soort vragen al vroeg een rol in uw academische loopbaan? Hoe bent u eigenlijk beland in dit vakgebied?

“Dat is vrij natuurlijk gegaan. Ik ben bijvoorbeeld altijd milieu-activist geweest tijdens mijn studie. Ook ben ik altijd natuurliefhebber geweest. Geen natuurkenner, overigens; vraag me niet om twee vogels uit elkaar te houden, want dat lukt me niet. Tijdens mijn studie ontwikkelde ik een interesse voor denkers als Kant, Heidegger, Levinas en Nietzsche. Aan hen probeerde ik dan de vragen te koppelen die bij me opborrelden. Bij Nietzsche is me dat dusdanig gelukt dat het me perspectieven opleverde die nog niet – of in mindere mate – bestonden in de milieufilosofie. Dan realiseer je je ineens dat je echt iets te zeggen hebt dat bijdraagt aan bestaande debatten.

Ik heb de mazzel dat het bij het Institute for Science, Innovation and Society precies de bedoeling is dat je de link legt tussen de filosofie en de bètawetenschappen – in mijn geval vooral de ecologie en de biologie. Dat is wat ik interessant vind aan filosofie; het werpt nieuw licht op bestaande vragen en excelleert wanneer het in contact komt met andere vakgebieden. Daarnaast vind ik het heel onbevredigend om alleen maar te schrijven voor andere filosofen, in een taal die – zo merk je soms op conferenties – louter te begrijpen is voor filosofen die zich in exact dezelfde thematiek specialiseren. Dat is niet de reden waarom ik filosofie ben gaan doen. Ik wil ook begrijpelijk zijn. Onlangs heb ik bijvoorbeeld een artikel geschreven in De levende natuur, een blad dat ooit door de oprichters van natuurmonumenten is opgericht en door alle boswachters van Nederland wordt gelezen. Daarin heb ik een stuk geschreven over de morele betekenis van rewilding. Juist voor die mensen is dat relevant. Dat gezegd hebbende: als je alleen maar bezig bent met populairwetenschappelijke artikelen dan val je in herhaling. Je hebt ook filosofische theorieën en verdieping nodig om tot nieuwe inzichten te komen. Je moet het dus allebei doen.”

 

Hoe zit het met uw onderzoeksveld in het algemeen? Is dat nog steeds groeiende? Hoe zat dat toen u net afstudeerde?

“Dat is een beetje een lastig verhaal. Toen ik afstudeerde was milieufilosofie in Nederland behoorlijk groot. Er waren in ieder geval een aantal hoogleraren die zich voltijds met milieufilosofie en milieu-ethiek bezighielden en zichzelf ook als zodanig presenteerden. Dan hebben we het over halverwege de jaren tachtig en begin jaren negentig. Tegenwoordig zijn zij allemaal met emeritaat en zijn er relatief weinig mensen voor in de plaats gekomen. Hier en daar houden promovendi en universitair docenten zich nog bezig met milieuvraagstukken, maar er zijn maar heel weinig hoogleraren – en al helemaal geen leerstoelen die expliciet ‘milieufilosofie’ of ‘milieu-ethiek’ heten. Het wordt ‘erbij’ gedaan, zullen we maar zeggen. Dat gebrek aan institutionalisering is een probleem voor zo’n vakgebied. In Nederland kun je geen milieufilosofie studeren bijvoorbeeld. Je kunt vakken volgen die eraan zijn gerelateerd, maar een volwaardige opleiding is er niet. Ik heb onlangs een inventarisatie gemaakt van het Nederlandse cursusaanbod met collega’s van andere universiteiten en dan kom je uit op plusminus tien stuks. Wanneer je het bijvoorbeeld vergelijkt met medische ethiek, dan zie je dat dat vakgebied gewoon veel sterker geïnstitutionaliseerd is: er is een opleiding voor en een instituut dat het draagt.

Het probleem is dus dat de huidige milieufilosofie het vooral moet hebben van een aantal mensen met persoonlijke interesse in het vakgebied. Als onderzoeker of student kom je dan bijvoorbeeld op hybride instituten – gekke plekken – terecht die zich een beetje op de breuklijnen bevinden tussen verschillende faculteiten, zoals hier [ISIS Instituut red.]. Ik geef bijvoorbeeld een cursus milieu-ethiek, maar de meeste studenten daarin studeren milieukunde en biologie. Een enkele keer komt er een filosofiestudent bijzitten. Dat vind ik dan heel leuk en bevredigend, maar dat blijft bij een enkele keer. Het gebrek aan institutionalisering is een beetje het probleem van de milieufilosofie in Nederland, maar om eerlijk te zijn is dat een internationale tendens. In Duitsland zijn er bijvoorbeeld maar twee hoogleraren die zich met milieufilosofie bezighouden.”

 

Je zou juist denken dat de gigantische urgentie van de problemen waar global warming ons voor stelt, en vooral de groeiende maatschappelijke erkenning daarvan, de institutionalisering van de milieufilosofie aanwakkert?

“Mijn ervaring is dat er best veel milieufilosofie wordt gepraktiseerd, maar niet onder die noemer. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de vragen waar ik me mee bezig hou, over het landschap, dan zijn er mensen in de sociale geografie en sociaalwetenschappelijke milieukunde die met gelijksoortige vragen bezig zijn. Maar de vragen die een filosoof stelt zijn vaak net wat anders. Filosofen problematiseren – dat is wat we doen.”

 

Wat is volgens u de reden dat de milieufilosofie op institutioneel gebied minder goed van de grond komt?

“Het helpt volgens mij om te kijken naar het verschil tussen medische ethiek en milieu-ethiek. De meeste medische professionals zijn er ten diepste van doordrongen dat ze soms met ethische vraagstukken te maken hebben waar ze zelf niet altijd het juiste antwoord op weten te vinden. Ze hebben goed door dat ze zelf onvoldoende helder begrijpen waarom ze er nu precies mee zitten. Wat men ook van de rol van de ethicus in dit proces vindt, er is in ieder geval een gemeenschap die erkent dat ethische vragen belangrijk zijn. En daarnaast: dat dit vragen zijn die moeilijk genoeg zijn om specialisten in te zetten om ze te helpen verhelderen. Dat zie je bij de milieuproblematiek veel minder. Ter illustratie: er zijn weleens ecologen die naar me toe komen en zeggen dat ze wat van me hebben gelezen en dat interessant vinden, gevolgd door de uitspraak ‘ik ben zelf ook een soort filosoof’. Dan bedoelen ze dat ze zo nu en dan met een vriend bij de open haard een boom opzetten over de dingen die belangrijk zijn in het leven. Daarmee miskennen ze dat de filosofie een vak is waarin je beter kunt worden, waarin je getraind kunt worden, en waarvoor je een soort conceptuele helderheid moet bezitten die je niet zomaar hebt. [Lachend:] Dus ik zeg dan weleens plagenderwijs: ‘toevallig, ik ben ook een soort ecoloog, want ik kijk weleens de tuin in als ik zit te ontbijten’. Veel verder dan een geintje over en weer kom je vervolgens vaak niet.

Een ander probleem, eentje waar mijn proefschrift ook over ging, is dat veel natuur- en milieubeschermers denken dat er geen moreel probleem is. Het enige morele probleem bestaat voor hen in het feit dat er zoveel andere mensen zijn die het niet met ze eens zijn. Vaak denken ze dat ze het gewoon beter moeten uitleggen, en dat de rest van de mensen hun mening dan vanzelf zullen overnemen. Als filosoof kun je dan uitleggen dat dat een beetje naïef gedacht is. Ik denk dat het onderliggende probleem precies dat is; veel natuurbeschermers hebben een slecht ontwikkeld probleembewustzijn voor morele kwesties. Die miskennen de legitimiteit van het conflict rond natuur. Daarmee misken je dat er hele goede redenen kunnen zijn om een pesthekel te hebben aan de natuur. Aan de andere kant: dat je een pesthekel hebt aan de natuur betekent niet dat je er ‘tegen’ moet zijn. Ik heb soms een pesthekel aan mijn vrienden, dat hoort volgens mij bij vriendschap – het een kan niet zonder het ander. Dat betekent niet dat ik daar niks meer mee te maken wil hebben. Wat ik interessant vind, ook aan zo’n dier als de wolf, is om precies die ruimtes op te zoeken waar ideeën met elkaar in conflict raken: als de natuur mooi is, en nuttig, en schattig en fijn, dan is het makkelijk om te zeggen dat je ervan houdt. Maar wat als dat op de proef wordt gesteld? Dan wordt het interessant!”

 

Zijn er tot slot nog dingen die u aan onze lezers kwijt wilt?

“Nou, er is misschien één ding dat me van het hart moet. Ik zou willen dat er meer samenwerking bestaat tussen de faculteit en, laat ik zeggen, de filosofische ‘buitengewesten’. Deze wens komt ten eerste voort uit eigenbelang: ik heb de filosofie nodig om mezelf te voeden, om elke keer weer iets nieuws te kunnen zeggen tegen die bètawetenschappers. Maar dat is niet het belangrijkste. Ik denk namelijk echt dat we elkaar wat te melden hebben. Het probleem van de filosofiefaculteit is volgens mij dat ze altijd in een isolement dreigt te komen, omdat filosofen zo met zichzelf bezig zijn dat ze vergeten de rest van de wereld erbij te betrekken. Die neiging wordt bijna een soort tweede natuur. Dat is wat we hier – en dat geldt ongetwijfeld ook voor die andere ‘buitengewesten’ – echt anders doen. Daar kan de filosofiefaculteit wat aan hebben. Er lopen op dit instituut toch acht filosofen rond. Omgekeerd kunnen wij heel veel hebben aan wat meer nabijheid van de filosofiefaculteit, al is het maar omdat ik graag wat meer filosofiestudenten zou begeleiden. Voor een deel begint het overbruggen van die afstand dan ook – heel eenvoudig – met het uitwisselen van informatie over conferenties, cursussen, en evenementen. Zo’n cursus als milieu-ethiek is nu een soort inleidend vak voor biologiestudenten die ooit een week met filosofie bezig zijn geweest – heel basaal dus. Mijn onderzoek gaat veel dieper. Daar komen onderwerpen als narratieve milieufilosofie, hermeneutische milieu-ethiek en de rol van temporaliteit in zelfkennis aan bod; stuk voor stuk vraagstukken waar je een hele interessante filosofische eindscriptie over zou kunnen schrijven. Aan de meeste van mijn studenten kan ik die onderwerpen echter niet kwijt.

Daarnaast hoop ik, misschien tegen beter weten in, dat de milieufilosofie een wat vastere voet aan de grond krijgt binnen de filosofiefaculteit. Ik merk zo nu en dan dat sommige mensen denken dat de milieufilosofie vooral iets was waarover in de jaren tachtig en negentig werd geschreven. Die mensen zien niet dat er zich in de afgelopen twintig jaar hartstikke spannende en vernieuwende filosofische vragen hebben aangediend in het vakgebied. Het is daarnaast gewoon ook hele leuke filosofie. Ik zou, met andere woorden, graag zien dat er meer natuurlijkere interactie was tussen die clubs. Om de zoveel jaar wordt dat ook weer uitgesproken, maar het blijft vaak bij woorden. Eén van de misverstanden die daaraan ten grondslag ligt is denk ik dat mensen denken dat het toegepaste filosofie is. Het idee is dan dat je enerzijds filosofie hebt, en anderzijds mensen die dat toepassen op concrete actuele onderwerpen. Maar zoals ik even geleden al zei werpen de casussen binnen de milieufilosofie juist nieuwe filosofische vragen op, en dat zijn geen ‘toegepaste’ vragen, maar legitieme filosofische vragen die zich op abstract conceptueel niveau manifesteren. Ik denk dat veel filosofen zich daar onvoldoende bewust van zijn. Dat is een misverstand dat best een keer de wereld uit mag worden geholpen.”

Tags: , , , , ,

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn geen reacties op dit artikel

Reageer op dit artikel




Bericht