Kijken door de ogen van een Ander

Een verkenning van intersoortelijk begrijpen aan de hand van drie boekbesprekingen
Auteur(s): Karlijn Ligtenberg, Senne Nout, Piet Wiersma | Categorie: Boekrecensie

[Dit artikel is gepubliceerd in Splijtstof 45-4]

Frans de Waal – Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? / Atlas Contact / 2016 / ISBN 9789045028583 / Prijs: 24,99

Door Piet Wiersma

 

Waarin verschillen menselijke cognitie en intelligentie van die van dieren? Kunnen mensen zichzelf middels de wetenschap toegang verschaffen tot de belevingswereld van andersoortigen? Belangrijker nog: hoe kun je dat onderzoeken? In Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? neemt bioloog Frans de Waal de lezer mee op safari door wat hij de wetenschap van de evolutionaire cognitie noemt. Struinend van experiment tot experiment – zowel in het wild als in laboratoria – verbrijzelt de Waal de meest diepgewortelde vooroordelen over de exceptionaliteit van menselijke cognitie en intelligentie.

Waar Darwin nog fier proclameerde dat het verschil tussen mens en dier er ongetwijfeld één moest zijn van gradatie en niet van aard, werd die gedachte halverwege de twintigste eeuw door behavioristen vaarwelgezegd. Onder leiding van de ultieme antagonist van het boek, de Amerikaanse psycholoog Burrhus Frederic Skinner, begonnen zij dierlijk gedrag te duiden in termen van stimulus en respons. Wat er tijdens het vertoonde gedrag in het dier omging was onbelangrijk. Intenties en gemoedstoestanden werden buitenspel gezet; alles zou verklaard kunnen worden door aangeleerde reactie dan wel instinct. Inmiddels hebben de meeste behavioristen langzaamaan ingezien dat het niet houdbaar is om dieren mental states te ontzeggen, en is het restant bijna allemaal met emiraat. Nog steeds geldt echter vaak dat wanneer dieren zakken voor een intelligentietest, dat wordt gezien als bewijs dat ze iets niet kunnen, zo wordt de lezer verteld.

Als het aan de Waal ligt mag de bewijslast wat deze zaken betreft best worden omgedraaid. Afwezigheid van bewijs staat immers niet gelijk aan bewijs van afwezigheid. Wanneer een bepaalde soort een bepaalde capaciteit lijkt te missen, moet de onderzoeker zich volgens De Waal afvragen of hij of zij zelf iets over het hoofd heeft gezien. Bovendien moet de onderzoeker zichzelf de vraag stellen of de test die gebruikt wordt wel bij de soort past. Gibbons hebben immers handen die gemaakt zijn om van tak tot tak te slingeren en ze kunnen moeilijker dingen van de grond rapen dan bijvoorbeeld chimpansees. Olifanten hebben een grotere spiegel nodig dan andere soorten om voor de befaamde mirror test – een proef die zelfbewustzijn zou aantonen – te slagen. Primaten mogen dan misschien ontzettend slecht zijn in het herkennen van mensengezichten, met gezichten van hun soortgenoten hebben ze geen enkele moeite. Met andere woorden: je moet wel slim onderzoek doen.[1]

De termen die een centrale rol spelen bij dit onderzoek, cognitie en intelligentie, zijn sterk met elkaar verbonden maar staan niet gelijk aan elkaar. Cognitie, zo stelt De Waal, is de mentale omzetting van zintuiglijke input in kennis van de omgeving, alsmede de flexibele toepassing van de kennis. Je kunt makkelijk verdrinken in de stroom informatie waarmee je wordt gebombardeerd in de wereld. Cognitie versmalt deze informatiestroom en maakt het mogelijk specifieke verbanden te leggen tussen verschillende soorten informatie – informatie die organismen gezien hun natuurlijke historie zouden moeten kennen om te overleven. Intelligentie daarentegen betreft juist het vermogen om dat alles succesvol te doen, stelt De Waal. In zijn boek laat hij zien dat er velerlei waanzinnig complexe en prachtige cognitieve aanpassingen bestaan die wij niet (nodig) hebben. Om deze reden is het rangschikken van cognitie langs één dimensie een zinloze exercitie. Het gaat De Waal dus niet om het maken van een vergelijking tussen de intelligentie van dier tegenover mens, waarbij die laatste als toetssteen geldt. Veeleer is het hem te doen om een vergelijking tussen de ene diersoort – de mens – en een gigantische hoeveelheid andere soorten. Met andere woorden: het betreft geen vergelijking tussen twee afzonderlijke categorieën van intelligentie, maar juist het bestuderen van de variatie binnen één enkele categorie. Intelligentie blijkt volop verspreid en in vele hoedanigheden aanwezig op onze aardbol, zo laat De Waal zien. Bij het onderzoeken daarvan geldt echter telkens het volgende mantra: “wat we waarnemen is niet de natuur op zich, maar de natuur zoals die zich aan onze methodes openbaart.”

Het zijn niet alleen onze methodes die de grenzen van ons kenvermogen definiëren, maar ook onze eigen cognitieve vermogens. Om dit te illustreren haalt de Waal Jakob von Uexküll aan. Deze bioloog maakte in het begin van de twintigste eeuw al duidelijk dat de Umwelt – de specifieke belevingswereld – van andersoortige organismen fundamenteel aan het menselijk zicht wordt onttrokken. We zullen deze Umwelt nooit compleet kunnen bevatten, zo stelde ook Thomas Nagel decennia later; hoe het is voor een specifiek wezen om dat specifieke wezen te zijn, blijft op een elementair niveau verhuld. Wat dan ook pijnlijk duidelijk wordt naarmate het verhaal van de Waal vordert, is dat het duiden en begrijpen van dierlijk gedrag een soort onmogelijke koorddans-act is. Het is een balanceeroefening tussen enerzijds een te antropomorfische duiding waarbij ze te menselijke emoties en mental states toegedicht krijgen, en anderzijds een te ‘verwetenschappelijkte’ duiding, waarbij men zoveel mogelijk afstand probeert te nemen van een menselijk discours. Deze tweede neiging wordt door de Waal gedoopt tot ‘antroponegatie’ (anthropodenial), en beslaat tevens de gevallen waarbij mensen dierlijke trekjes worden ontzegd.

Een voorbeeld: bij het beschrijven van het gedrag dat chimpansees vertonen na een heftige ruzie spreekt De Waal van ‘verzoening’. Vervolgens wordt hij door kritische vakgenoten verweten dat hij zou moeten opteren voor een term als ‘post-conflict-contact’. Mental states, zoals emoties, van verschillende soorten kunnen niet aan elkaar worden gelijkgesteld. Tegelijkertijd zijn er wel degelijk sterke overeenkomsten tussen mensen en andere soorten wat betreft basale gedragspatronen, en is het niet vreemd om te zeggen dat dieren blij, bang, of boos zijn, of dat ze pijn hebben. Een te ‘objectief-wetenschappelijk’ discours doet het dier dus ook geen recht. Aangezien de werkelijke Umwelt van een andere soort door mensen niet te bevatten is, blijven we ergens tussen antropomorfisme en antroponegatie schipperen, zonder zeker te zijn of dit standpunt recht doet aan de werkelijke belevingswereld van dieren. Tegelijkertijd zou een denker als Nagel nooit de vleermuis als voorbeeld hebben genomen als Don Griffin, een collega van de Waal, zich niet zou hebben voorgesteld hoe het is voor een vleermuis om een vleermuis te zijn, en te hebben ontdekt dat de gevleugelde zoogdiertjes gebruikmaken van echolocatie. Hoewel de wetenschap ons inzicht in de andersoortige Umwelt dus nooit zal vervolmaken, is het ook weer niet zo dat begrip ons helemaal ontglipt.

Misschien is het ook geen kwestie van ‘recht doen aan’ de complexiteit van het probleem, en moeten we simpelweg stellen dat een antropomorfisch discours misschien niet alleen dichter bij de waarheid zit, maar – belangrijker nog – dat deze antropocentrische duiding op paradoxale wijze ertoe leidt dat de mens in zijn omgang met dieren een minder antropocentrische insteek erop na houdt. Een chimpansee die ‘verzoeningsgedrag’ laat zien kan nu eenmaal op meer menselijke empathie rekenen dan eenzelfde chimpansee die ‘post-conflict-contact’ vertoont. Wat de Waal zelf betreft moeten we niet te bang zijn om antropomorfisch taalgebruik te bezigen: “onnodige taalbarrières versnipperen de eenheid die de natuur ons biedt.” In zijn ogen is antropomorfisme alleen een probleem wanneer de vergelijking tussen mens en dier wordt overdreven, met soorten die evolutionair gezien te ver van ons af staan. Andersom vindt hij antroponegatie enkel een probleem wanneer de soort waarmee de vergelijking teniet wordt gedaan door ‘objectief’ taalgebruik te dicht bij ons staat.

Voor De Waal is hiermee de kous af. Het feit dat een maatstaf die ons laat bepalen wanneer een soort te ver van ons af staat – of juist te dichtbij – uitblijft, lijkt hem niet te deren. In plaats daarvan propageert De Waal wat Gordon Burghardt ‘kritisch antropomorfisme’ noemt. Hierbij wordt een antropomorf discours niet als doel gehanteerd, maar wordt menselijke terminologie gebruikt om toetsbare ideeën te suggereren die vervolgens onderzocht kunnen worden. Het uiteindelijke doel is dat de terminologie de evolutionaire verbanden tussen soorten erkent, stelt De Waal. Veel verder dan een ruw inzicht in de grove intersoortelijke overeenkomsten lijkt ook deze benadering niet te komen. Wederom blijft een benchmark uit waarmee we kunnen bepalen (of benaderen) hoe dicht de belevingswereld van een bepaalde diersoort tegen die van onszelf aanzit.

Het is wellicht een beetje flauw om een populairwetenschappelijk boek als Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn?, geschreven door een bioloog, af te rekenen op een gebrek aan filosofisch probleembewustzijn. Juist ook omdat het probleem waarvoor ‘intersoortelijke hermeneutiek’, om het zo maar te noemen, ons stelt, een filosofisch probleem pur sang is: het is zeer onwaarschijnlijk dat we ooit een sluitend antwoord verkrijgen op de vragen die ze oproept. Dat gezegd hebbende leent het boek van De Waal zich uitstekend om de omvang van het probleem te tonen. Enerzijds toont het boek ons de complexe veelheid aan intelligenties en cognities die de wereld rijk is. Anderzijds wordt duidelijk dat zowel de beschikbare wetenschappelijke methodes als menselijke cognitieve vaardigheden schrijnend tekortschieten om deze capaciteiten volledig recht te doen. We zijn, met andere woorden, zeer waarschijnlijk gedoemd tot een fundamenteel onbegrijpen. Hoe rigoureus de wetenschap zich ook ontwikkelt en hoe meer inzicht ze ons (onvermijdelijk) zal verschaffen in te toekomst, de specifieke belevingswereld van andersoortigen blijft op elementair niveau ongrijpbaar.

Dat betekent natuurlijk niet dat we moeten ophouden om dit inzicht na te streven. Sterker nog, het zou ons moeten aansporen om harder te werken en op zoek te gaan naar nieuwe methodes. Het zou namelijk goed kunnen dat het hier om een probleem gaat waarbij (dominante) wetenschappelijke methodiek weliswaar tekortschiet, maar waarbij niet strikt-wetenschappelijke methodes delen van deze gebreken kunnen verhelpen. Kan het menselijk begrip van niet-menselijke diersoorten bijvoorbeeld worden opgerekt wanneer noties als objectiviteit en reproduceerbaarheid niet de zo gangbare onaantastbare status hoeven te genieten? Moeten we niet-menselijke dieren, net als we bij mensen doen, misschien wat meer als individu benaderen, en wat minder als lid van een specifieke soort. Kan kunst – film, literatuur, of zelfs games en virtual reality[2] – ons wellicht over de muur helpen waar de wetenschap tegenaan loopt? Wat mensen onderling betreft kan immers beargumenteerd worden dat kunst deze functie tot op zekere hoogte reeds vervult. Met andere woorden: hebben we andere methoden tot onze beschikking waarmee we de grenzen van ons begrijpen kunnen oprekken?

In het licht van deze vragen zullen, in wat volgt, twee boeken worden besproken. Ten eerste komt Eva Meijers roman Het vogelhuis aan bod. Dit boek is geïnspireerd op het leven van Len Howard, een vrouw die al van jongs af aan samenleefde met vogels. Howard hanteerde een – zeker voor haar tijd – onconventionele aanpak: ze deelde haar huis met vogels en bestudeerde ze als wezens met een eigen levensverhaal, in plaats van de vogels geïsoleerd te onderzoeken in laboratoria. De roman tekent Howards controversiële aanpak op, brengt wetenschapsfilosofische vragen te berde en is tegelijkertijd een poging om te laten zien wat het betekent om een vogel te zijn en een gevleugeld leven te leiden. Het tweede boek, De ruiter van Jan van Mersbergen, heeft een minder wetenschapsfilosofische insteek. In dit werk wordt een poging gedaan een dierenervaring voor mensen inzichtelijk, maar vooral ook invoelbaar te maken. Het verhaal is namelijk geschreven vanuit het perspectief van een paard. Door onder andere het opwekken van sympathie voor de verteller wordt een beroep gedaan op ons inlevingsvermogen. De verbeelding kan hiermee een middel zijn om toegang te krijgen tot het leven van andere dieren. Hiermee kan een veld geopend worden voor een begrip van andersoortigen voorbij dominante wetenschappelijk paradigma’s.

 

Eva Meijer - Het vogelhuis / Uitgeverij Cossee / 2016 / ISBN 9789059366695 / Prijs: 18,95

door Karlijn Ligtenberg

 

In de biografisch geïnspireerde roman Het vogelhuis schetst schrijver en filosoof Eva Meijer het leven van Gwendolen Howard, een Britse vogelonderzoeker. Len leidt een onalledaags bestaan. Ze verruilt op den duur het grootsteedse Londen voor een teruggetrokken leven in Ditchling. Daar doet Len op eigengereide wijze onderzoek naar vogels. Niet alleen Len is een belangrijk personage in deze roman. De vogels in deze roman – Kaalkopje, Ster, Petertje en vele anderen – zijn geen stereotypen, noch symbolische wezens. Elk dier heeft een eigen karakter; is een persoonlijkheid. De onderzoekende Len verdedigt de individualiteit van de vogel. Ze verzet zich bovendien tegen behavioristisch laboratoriumonderzoek dat in de wetenschap van haar tijd gangbaar is. Dat komt haar op een hoop kritiek te staan.

Het vogelhuis vertelt in eerste instantie verhaal van de jonge Len. Haar jeugd beleeft ze in Wales, waar ze samen met haar broers en zus opgroeit onder de vleugels van een moeder met een alcoholprobleem en een vader die dicht. Hij geeft zijn liefde voor vogels door aan Len. Als de familiehond op de stoep staat met een gehavend pimpelmeesje in zijn mond, worden alle zeilen bijgezet om zijn welzijn te garanderen. Len en vader stuiven naar de slager om een smakelijk tartaartje te halen voor de gewonde vogel. Dit tafereel blijkt illustratief voor Lens verstandhouding met dieren: vogels behandelt ze zoveel mogelijk als individuen met een innerlijk leven.

Hoewel de relatie van Len met vogels centraal staat in de roman, registreert Meijer en passant de positie van de vrouw in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is de tijd van de suffragettes die stemrecht voor vrouwen bevechten. Len gaat gebukt onder de verwachtingen die heersen ten opzichte van jonge vrouwen. Zo merkt Len op: “Trouwen, kinderen krijgen, langzaam in de jas van mijn ouders glijden. De jongens hoeven dat niet. Die kunnen gewoon hun eigen gang gaan.” In Londen vindt Len een plekje in een gerenommeerd orkest en ze schopt het uiteindelijk tot eerste violist.

Toch verruilt Len vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog het stadse leven voor een kalmere plek. Ze hekelt het Londense gekrakeel en vindt in de hoofdstad geen rust om vogels te bestuderen; er is maar weinig natuur. Of, zoals ze later opmerkt: “Zien heeft tijd nodig. In Londen was er te veel afleiding.” Hoe anders is dat in Ditchling, Sussex, waar Len een huis koopt. ‘Bird cottage’ vormt de setting voor Lens onconventionele onderzoek naar vogels.

De dieren mogen in- en uitvliegen, drinken net als Len water uit de kraan, ze plukken straffeloos het tapijt kaal, trekken draadjes uit Lens sokken, poepen op de piano en zijn welkom in alle kamers van het huis. Len gaat de deur niet vaak uit en het ontvangen van bezoek probeert ze in te dammen. De postbode verzoekt ze om post aan het begin van haar erf af te geven. Als hij telkens tot de deur zou lopen, raken de vogels uit hun hum. De fotograaf van een vogeltijdschrift bezorgt Len de kriebels. Hij beweegt zich als een ongeleid projectiel door het huis om Lens gevederde huisgenoten op de gevoelige plaat vast te leggen. Zijn onaangepastheid werkt Len zo op de zenuwen dat ze resoluut besluit nog maar een handvol bekenden in haar huis toe te laten. Ze begrenst haar eigen contacten om het welzijn van de vogels te bevorderen.

Het samenleven met vogels vormt het vertrekpunt voor haar onderzoek. Zij en de vogels moeten lang aan elkaar wennen, vertrouwd met elkaar raken. Lens muzikale gehoor is van onmisbare waarde bij het interpreteren van de vele vogelgeluiden. Dagenlang tuurt en luistert ze naar de vogels in en rondom haar huis. Onderwijl brengt ze de levensloop van die beestjes in kaart. De hiërarchie van de actieve onderzoeker en het passieve onderzoeksobject is voor Len uit den boze. Ze deinst er bovendien voor terug generaliserende uitspraken te doen over de vogels die ze onderzoekt.

Ondertussen krijgt Len een plek als columnist in het tijdschrift British Birds, waar ze schrijft over de levens die de vogels leiden. Dat podium leidt tot bekendheid bij het grote publiek en stapels lezersbrieven vallen op de mat. Lezers leveren kritiek op Len’s al te menselijke voorstelling van de dieren – zo schrijft Len de vogels bijvoorbeeld gemoedstoestanden als paniek en rouw toe. Toch buigt de eigenzinnige onderzoeker niet: “Mensen denken dat ik de vogels menselijke eigenschappen toedicht,” constateert ze. “Ze snappen niet dat die eigenschappen helemaal niet alleen menselijk zijn.”

Constant probeert Len de grens tussen mens en dier te bevragen, niet zelden door de mens een spiegel voor te houden. Zo merkt Len op: “Mensen zien de andere dieren niet goed omdat ze zichzelf zo belangrijk vinden – hun gedrag heel nauwkeurig beschrijven zou ze al in een ander licht stellen.” Wanneer bioloog Julian Huxley bij haar op de stoep staat om te praten over haar onderzoek merkt Len op: “Je hoeft niet hetzelfde te zijn om een ander te kunnen begrijpen. Misschien moet je wel op elkaar lijken.”

En op elkaar lijken, dat is wat de vogels en Len op een bepaalde manier doen. Len levert wat van haar mensenleven in: ze leidt een teruggetrokken bestaan, beperkt bezoek van andere mensen zo veel mogelijk, en strijdt tegen de gemeente als die de leefruimte van vogels dreigt te beperken. De vogels leren ondertussen van Len hoe ze moeten tellen en wonen in het mensenhuis, dat gaandeweg steeds meer een vogelhuis wordt.

Meijer laat ten slotte in de wetenschapsopvatting van Len scepsis doorschemeren ten opzichte van de onderzoeksmethodes van haar tijd. Van het onderzoek dat plaatsvindt in laboratoria wil Len niets weten. Al in Londen merkte Len tegen een vriendin op dat het “moreel maar ook wetenschappelijk verkeerd [is] om vogels in laboratoria te onderzoeken. Ze gedragen zich dan anders. De vogels die bij ons thuis kwamen waren veel slimmer dan uit dit soort onderzoek blijkt.” Vogels onderzoeken in een laboratorium zal dan ook lang niet altijd relevante kennis opleveren over het gedrag van vogels, vermoedt Len. En dan is er nog die sprekende analogie die in al zijn eenvoud de vinger precies op de zere plek legt: “Je laat mensen ook niet in een hok zitten, zonder anderen, dagenlang of wekenlang, in een vreemde steriele omgeving, met gladde wanden, ruikend naar schoonmaakmiddel en onbekende vogels, om dan te testen hoe slim ze zijn.”

 

Jan van Mersbergen – De ruiter / Uitgeverij Cossee / 2016 / ISBN 9789059366657 / Prijs: 18,99

Door Senne Nout

 

In de literatuur nemen dierenrollen vaak twee vormen aan: ofwel als karakters die symbool staan voor mensen, ofwel als ware ‘dierenzelven’. Wanneer de dierenkarakters symbool staan voor mensen – denk aan het dierenepos Van den vos Reynaerde – wordt via dieren op indirecte en ludieke wijze een menselijke moraal overgebracht. Dieren die gekarakteriseerd worden als symbolische mensen praten meestal in mensentaal, lopen net zoals mensen op twee ledematen en dragen vaak kleding. Dierenzelven daarentegen leven een meer realistisch dierenleven. Ze spreken over het algemeen niet of maken de geluiden die typisch zijn voor de diersoort. Een protagonist als dierenzelf praat dus niet in het verhaal zelf maar spreekt direct tot de lezer.

In De ruiter (2016) wordt een karakter opgevoerd dat in de laatste categorie valt; de lezer maakt op vrij unieke wijze kennis met een ‘dierenzelf’. De hoofdlijn van het verhaal schetst voornamelijk het leven van Sandra, een tiener die naar haar opa op het platteland wordt gestuurd om afstand te krijgen van haar vriendje, een bendeleider. Maar op het erf staat een paard, dat al observerend, luisterend en voelend vertrouwd raakt met de mensen om hem heen. Via de ogen van dit paard, dat geportretteerd wordt als een ‘echt’ paard met paardengevoelens, een paardenervaring en paardenbehoeften, krijgt de lezer een inkijkje in de levens van de mensenprotagonisten. De verteller betreft dus een dier, in dit geval een afgedankte oude hengst, die zijn jonge jaren heeft doorgebracht op een manege – waar hij als dekhengst voornamelijk geïnteresseerd was in de vele merries in de stal. Merries waar hij nog steeds regelmatig over dagdroomt, terwijl hij zijn oude dagen in zijn eentje slijt op het erf van de boer.

Het paard blijkt goed te kunnen luisteren. Waar kippen rustig doorscharrelen, en schapen niet op- of omkijken wanneer er tegen ze gepraat wordt, is een paard een dier dat werkelijk luistert. De hengst beschrijft dit zelf, maar de mensen om hem heen weten dit ook. Het praten tegen een paard lijkt therapeutisch te werken: een paard biedt een luisterend oor, oordeelt niet, bekritiseert noch reageert zoals een mens dat kan. Zo beschrijft het paard hoe de oude boer stukje bij beetje zijn pijnlijke ervaring van het verlies van zijn vrouw met hem deelt, en wanneer Sandra op de boerderij verschijnt kan ze als dwarse puber aan hem wel haar verhalen kwijt.

Het paard – en daarmee de lezer – ontrafelt echter niet alleen via deze weg de levens van de mensenpersonages. Er wordt namelijk op twee manieren kennis gemaakt met hun levens. Enerzijds door de verhalen die de personages vertellen aan het paard, anderzijds via de invoelende krachten van het paard bij een aanraking. Wellicht is namelijk niet het luisteren maar het voelen hetgeen dat de paardenervaring typeert. Zodra iemand het paard aanraakt, komen flarden van diens geschiedenis aan de oppervlakte in het bewustzijn van het paard: “Het gaat om aanraking. Mijn vacht, dat zijn ontelbare stugge ruwe voelsprietjes, overal. Zo is het. Precies. Raak me aan en ik weet alles van je.” Op deze wijze lees je over belangrijke episodes van de mensenlevens alsof de (paarden)verteller er zelf bij aanwezig was, wat in principe een handige manier is om wat meer diepgang te genereren. Wanneer we het verhaal alleen zouden ontdekken via mensen die hun hart luchten bij een paard, zou het boek waarschijnlijk een hoog Penny-gehalte krijgen. De krachten van het paard bieden de mogelijkheid om een complexer verhaal te vertellen.

Van de andere kant is dit een vrij makkelijke oplossing om mensenkarakters door paardenogen te beschrijven. Het paard krijgt via deze weg namelijk een soort alwetende blik toegeschreven: “[…] en dan voel ik zijn hand tegen mijn neus, en daar is alles wat er tot dit moment in zijn leven speelde en wat nog steeds door zijn hoofd gonst.” Jammer hieraan is dat zo tot op zekere hoogte voorbij wordt gegaan aan het doel van een dierenperspectief. Eigen aan een specifiek perspectief – of deze nou menselijk of dierlijk is – is nou juist dat deze gesitueerd en belichaamd is. Een blik komt altijd vanuit een bepaalde richting, en is dus nooit in staat alles tegelijkertijd zien. Om deze reden weet ik niet of ik de introductie van dit hoogbegaafde invoelende talent een geslaagde zet vind. Voor een alomvattende blik als deze is helemaal geen paardenverteller nodig, waarmee de unieke vorm waarin het verhaal is gegoten enigszins teniet wordt gedaan.

Desondanks is het een erg interessant uitgangspunt. Met een paard (of ander dier) als verteller wordt de wereld als het goed is anders beschreven dan wanneer het een menselijke verteller betreft. Een blik zoals deze heeft zodoende de potentie een nieuwe kijk op zaken te genereren, waardoor ogenschijnlijke vanzelfsprekendheden ondermijnd kunnen worden. De auteur heeft ook wel degelijk duidelijk zijn best gedaan om echt een andere blik weer te geven, waarbij ‘andere ogen’ letterlijk begrepen worden, omdat rekening wordt gehouden met de visuele vermogens van een paard:

Zij trekt een rolkoffer achter zich aan maar het lijkt ook alsof die koffer haar de stenen over duwt, hop hop. Het ding is grijs, net als haar jas en haar strakke broek, haar haar strakgebonden in een staartje. […] Dan kijkt de baas naar de koffer en zegt: Dat is het lelijkste roze dat ik ooit heb gezien. Dat doet hij vaker, grijs benoemen als roos, paars, roze, wat dan ook.

Paarden nemen de wereld (kennelijk) waar in grijstinten, en deze beschrijving maakte me nieuwsgierig naar de andere ‘echte’ paardenervaringen die ik zou gaan aantreffen in het boek. Hoe zou de auteur er verder voor gaan zorgen dat de wereld aan mij – een mens – beschreven wordt op een duidelijk niet-menselijke manier? Dit leek immers het vernieuwende en hopelijk boeiende aspect aan deze roman, maar tegelijkertijd het moeilijkste aan het vertolken van de dierenprotagonist.

De kennismaking met deze grijze leefwereld is echter niet van lange duur: na deze bladzijden passeren louter kleurige paardenervaringen de revue, en niet alleen wanneer het paard zijn invoelende krachten etaleert. De hengst ziet een mooie bruingevlekte merrie, grote groene laarzen, blozende, blonde paardenmeisjes met bolle zwarte petjes en bomen die volhangen met geelgouden appels. Ook zijn er meer inconsistenties waardoor de lezer niet volledig overtuigd raakt van de ‘paardheid’ van de verteller. Zo weet hij over het algemeen alles over en van de mensenwereld, het dier kent alles bij de juiste naam, van abstracte concepten tot concrete automerken. Dit is wellicht niet te voorkomen: als lezer wil je toch een verhaal voorgeschoteld krijgen en dat lukt het beste in mensentaal. Tegelijkertijd zijn er echter momenten waarbij het paard ineens een soort domme naïviteit toegeschreven krijgt, waardoor er wederom een soort coherentie mist die het geheel geloofwaardiger had gemaakt.

Toch krijg je als lezer wel degelijk sympathie voor de oude hengst, wat een klassieke manier is om het inlevingsvermogen te vergroten. Neem bijvoorbeeld de paardenroman Black Beauty (1877) waarin de band tussen lezer en dierenprotagonist op een soortgelijke manier versterkt wordt. Met haar roman deed Anna Sewel een poging om de slechte behandeling van paarden aan het licht te brengen: via het opwekken van publieke empathie en sympathie streed ze voor een meer humane behandeling van dieren. Wanneer dit in De ruiter goed werkt is bijvoorbeeld op de momenten dat het paard schrikt, wat regelmatig gebeurt, immers: “[…] alles in mijn lijf is ingesteld op schrikken. Ons overlevingsmiddel. Ons enige wapen, onze kracht. En rennen natuurlijk, we kunnen rennen als de besten.” Deze schrikervaringen worden door de auteur mooi beschreven, momenten waarbij het paard de volledige controle verliest en als een stream of consciousness de vele impulsen en gevoelens weergegeven worden. Maar ook de mijmeringen van het paard over het goede leven vroeger bij de merries, of hoe het dier zich verliest in bepaalde geuren en de herinneringen die deze opwekken, zorgen ervoor dat je je werkelijk meevoelt met het paardenpersonage.

Hoewel het paardenperspectief niet overal even goed uit de verf is gekomen in deze roman, is het in elk geval een welkome afwisseling op het meer gangbare mensenperspectief. Omdat de lezer zich identificeert met de verteller en zich zo inleeft in het perspectief van een ander, of deze nou menselijk of dierlijk is, kan via de literatuur een unieke mens-dier band tot stand gebracht worden. Dit heeft veel potentie, omdat literatuur hiermee een instrument kan zijn om verandering te genereren in de manier waarop mensen over niet-menselijke dieren denken, en in het verlengde hiervan dus hoe dieren behandeld worden. Kijk naar Black Beauty – een boek dat wel degelijk een heel belangrijke bijdrage heeft geleverd aan een omkeer wat betreft de menselijke omgang met paarden. De verbeelding kent geen grenzen, waardoor fictie bij uitstek een middel is om een begrip van andersoortigen te krijgen dat voorbij gaat aan het reductionistische en instrumentele observerende oog van de wetenschap.

 

 

 

[1] Er moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met anatomie, motivatie, aandachtsboog (proeven moeten uitdagend genoeg zijn) en soortspecifiek gedrag.

[2] In een recente lezing van Radboud Reflects, genaamd “De filosofie van videogames”, liet filosoof Stefan Schevelier bijvoorbeeld met behulp van fenomenologische theorie zien op welke manier games hun spelers op overtuigende wijze toegang verlenen tot ervaringswerelden die mijlenver af staan van die van henzelf in real life.

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn geen reacties op dit artikel

Reageer op dit artikel




Bericht