Het gebrek en de techniek: Bernard Stieglers pharmacologie

Auteur(s): Boris van Meurs | Categorie: Splijtstof op Down the Rabbit Hole

 


Het gebrekkige dier

Nietzsche schrijft, in Jenseits von Gut und Böse, dat de mens een ‘nog niet vastgesteld dier’ is. Dit betekent dat het aan de mens zelf is om te bepalen wie hij wordt. Volgen we deze gedachte, dan is er geen essentie of rotsvaste definitie van het menselijke: de mens komt zichzelf tegen als een vraag. Een vraag die wijzelf als mens dienen te beantwoorden. Het niet vastgestelde dier is bestemd om onbestemd te zijn: een zoeker, denker, schepper — telkens trachtend het gebrek aan vastigheid in zichzelf te compenseren.

We horen het inzicht van Nietzsche weergalmen in het denken van de techniekfilosoof Bernard Stiegler, over wie dit artikel zal gaan. Stiegler schrijft dat de techniek een compensatie is voor het gebrek dat het menselijke markeert. De onderbepaaldheid van het menselijke betekent namelijk dat de mens aan zichzelf niet genoeg heeft. Dit zien we overal terug: onze lichamen vereisen bijvoorbeeld dat we kleren dragen om warm te blijven en onze geesten vereisen jarenlange opvoeding voordat we deel kunnen nemen aan de maatschappij. Het gebrek aan vastigheid in zichzelf vereist van de mens dus een technische compensatie, niet alleen om in leven te blijven, maar vooral om zichzelf vorm te kunnen geven. Naakt en kwetsbaar — vormeloos haast — komen wij ter aarde en worden we onmiddellijk in een technische omgeving geworpen die het lichaam beschermt en hoedt. Maar ook de vraag naar het wezen van de mens verloopt via de techniek. Zonder schrift, zonder taal, zonder kunst zou de mens enkel gebrekkig zijn. Het is het menselijke wonder dat hij zijn gebrek heeft weten om te smeden tot een mogelijkheidsvoorwaarde om talloze manieren van zijn te verkennen. Dit artikel zal ingaan op hoe volgens Stiegler dit proces van de techniek – van gebrek tot adoptie – verloopt.


Pharmacologie

Een centraal begrip bij Stiegler is de pharmacologie van de techniek. Een pharmakon is zowel een medicijn als een gif. Dit is volgens Stiegler een adequate beschrijving van de techniek, die zowel giftig als heilzaam is. Allereerst is de techniek giftig; wanneer een nieuwe techniek ontstaat, markeert ze namelijk het gebrek waarvoor ze een compensatie is. Plato merkt dit reeds op in de Phaedrus, wanneer hij Socrates laat aarzelen over de waarde van het schrift. Het schrift zou vergetelheid teweeg kunnen brengen, juist omdat het schrijven onze eigen geheugens ontlast. Leidt dit niet tot een samenleving van vergeetachtigen? De overheveling van vaardigheden naar de techniek leidt in eerste instantie inderdaad tot een verlies van kunde. Maar de techniek kan juist ook heilzaam worden. De menselijke kunde wordt weliswaar geëxterioriseerd, maar deze kan opnieuw eigen gemaakt worden, indien de relatie tot de techniek op een juiste wijze wordt vormgegeven. Als dit proces slaagt, liggen er talloze nieuwe mogelijkheden voor de mens open om de vraag naar zichzelf te beantwoorden – mogelijkheden die zonder deze techniek ondenkbaar waren.

In eerste instantie hinkt een samenleving dus achter een nieuwe techniek aan, voordat ze deze als een eigen mogelijkheid leert te verstaan. Dit vooruitlopen van de techniek op de samenleving is het eerste toxische effect van de techniek. Het gebrek wordt benadrukt, terwijl de nieuwe mogelijkheden van de techniek nog niet eigen gemaakt zijn. Wanneer het echter lukt een techniek te adopteren, kan de mens deze techniek gebruiken om te doen wat ze zonder haar nooit kon. Zo is uit het schrift uiteindelijk bijvoorbeeld de traditie van de filosofie en ook de literatuur ontstaan. In de adoptie vergroot de techniek niet langer het gebrek, maar weet men dit gebrek productief in te zetten. Volgens Stiegler heeft het daarom geen zin om de techniek af te wijzen of te bejubelen. Zonder de techniek is de mens naakt, incompleet, krachteloos. Voor ons overleven en voortleven zijn we noodzakelijk op de techniek aangewezen. Het is veeleer onze opdracht om het toxische in de techniek om te zetten in het heilzame. Zo wordt het menselijk gebrek wederom voorwaarde voor het creatieve en zingevende.


Moderne techniek

Het is nog lastig voor te stellen dat de huidige transitie naar digitale technieken een gelijk patroon zal vertonen. Zijn de moderne technieken niet werkelijk anders dan de voorgaande technieken? Dit is bijvoorbeeld wel wat Heidegger stelt in zijn techniek-opstel, waarin de moderne techniek louter nog opvorderend ten opzichte van al het zijnde geschetst wordt. Ik denk dat de meesten onder ons het gevoel delen dat de moderne techniek werkelijk van andere aard is dan wat aan haar voorafging. De onpersoonlijkheid van het technische apparaat waarmee op grote schaal vee gehouden en geslacht wordt; de onmetelijke snelheid van het internet; de troebelheid van de algoritmes die de financiële sector sturen — er lijkt een werkelijk andere technische houding ten opzichte van de wereld te zijn ontstaan. Stiegler zelf onderschrijft dit in zekere mate. Voor Stiegler is het gevaar van de moderne techniek echter vooral de snelheid waarmee ze zich ontwikkelt, niet de techniek in zichzelf. Het probleem is bovenal dat de maatschappij geen tijd heeft om de technieken te adopteren, omdat ieder uur een nieuwe innovatie kent. De interactie met de techniek is toxisch en blijft toxisch, omdat ze een tempo heeft dat de samenleving niet bij kan houden. Onze instituten hebben zich nog niet kunnen hervormen naar een digitale wereld, waarin grenzen vervagen en met de snelheid van het licht informatie gedeeld wordt.

Dit tempo van de technische innovatie wordt aangejaagd door een industrialisatie van de techniek. Innovatie wordt sinds de Industriële Revolutie door bedrijven bewust nagestreefd om concurrenten voor te kunnen zijn en de consument voor zich te winnen. Dit creëert in hoge snelheid nieuwe technieken die soms zelfs op de behoeftes van de markt vooruitlopen. Slimme marketing — die bovendien zelf ook via de moderne technieken verloopt — dient de verlangens van de consument te sturen en ze op zo snel mogelijke bevrediging te richten. Als wij worden wie wij zijn in interactie met de technieken die onze wereld vormgeven, dan is dit een kwalijke zaak. De moderne technieken nodigen de mens namelijk bovenal uit om als consument te denken — en hiermee zal de mens dan ook tot consument verworden. Bij wie louter consumeert, ontbreekt echter de activiteit die nodig is om de technieken eigen te maken. De logica van Apple is een helder voorbeeld van dit gevaar. Als gebruiker ziet men altijd enkel de buitenkant van de producten van Apple. Een iPhone kan door de gebruiker niet open geschroefd worden ter reparatie, noch kan de gebruiker inzicht verkrijgen in de werking van de software. Het apparaat dient louter het gebruiksgemak, waardoor de mens inderdaad tot gebruiker, nooit tot schepper gemaakt wordt. De logica van het apparaat belemmert een werkelijke adoptie ervan.


Het reddende?

Tot zover erkent Stiegler dus dat de moderne techniek anders is dan traditionelere technieken. Hij zal echter onmiddellijk stellen dat de moderne techniek niet enkel gevaarlijk is, maar juist ook legio heilzame mogelijkheden biedt. Dankzij de komst van het internet was het nog nooit zo makkelijk om informatie te delen, bijeenkomsten te organiseren of om contact te houden met mensen over de gehele wereld. Wanneer we onthouden dat de mens wordt wie hij is in interactie met de techniek, dan liggen in de digitale techniek grootse zijnsmogelijkheden voor de mens. Voorzichtige schreden in deze bevrijdende richting worden gezet in Open Source software, waar de gebruiker uitgenodigd wordt zelf bij te dragen aan het product dat hij gebruikt. Er bestaan talloze websites die uitgaan van een economie van het delen: mensen nemen vrijwillig de tijd om anderen te helpen hun problemen op te lossen. Ik vrees dat mijn generatie grotendeels nog digibeet zal zijn en slechts worstelend het heilzame in de digitale techniek zal weten te ontwaren — maar wie weet zal het komende generaties al lukken om aan te vangen met de adoptie van het internet, en in de kielzog hiervan ook de andere moderne technieken.

De vraag blijft voor mij of deze adoptie op zichzelf voldoende zal zijn om de toxiciteit van de moderne techniek te compenseren. Het is duidelijk dat voor het behoud van de geestelijke kracht van de mens een adoptie van de digitale techniek noodzakelijk is. Echter, in het debat over het antropoceen met Stiegler en Sloterdijk, dat op maandag 27 juni plaatsvond in de Vereeniging te Nijmegen, werd ook benadrukt dat de moderne techniek een mondiale ecologische ramp veroorzaakt. In Stieglers werk vind ik verbazingwekkend weinig terug over de verhouding van de mens tot de natuur. Adoptie van de techniek betekent op zichzelf nog niet dat we verantwoordelijkheid nemen voor de natuur, die verdrukt wordt door de kracht van onze techniek.

Mijn thesis is dat het menselijke gebrek weliswaar het technische mogelijk maakt, maar ook verder reikt dan de techniek. De vraag naar de mens is ook een vraag naar zijn plaats in de omgeving. Deze omgeving is nooit louter technisch, maar herbergt ook het niet-menselijke leven. Wij hebben, als nog niet vastgestelde dieren, een keuze ten opzichte van onze omgeving. We kunnen haar hoeden of uitbuiten, inrichten of vernielen. Het was Heideggers zorg dat de mens via de moderne techniek de natuur enkel nog als energiereservoir zou beschouwen. Leidt een adoptie van de techniek tot een werkelijk andere houding ten opzichte van de natuur? Kunnen we onze uitbuiting van al het andere leven nog omdraaien? Het menselijke gebrek brengt een verantwoordelijkheid met zich mee die verder reikt dan de mens zelf. We zullen moeten zoeken naar een techniek die ons in staat stelt zorg te dragen voor de natuur vanuit waar wij zoeken, denken, scheppen.

 

Tags: , , , ,

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn geen reacties op dit artikel

Reageer op dit artikel




Bericht