‘Have I gone mad?’

Splijtstof op Down the Rabbit Hole 2015
Auteur(s): Carli Coenen | Categorie: Splijtstof op Down the Rabbit Hole

 

Onderstaande vormt de neerslag van de tekst uitgesproken op 27 juni 2015 tijdens het festival Down The Rabbit Hole.

 

Have I gone mad? Zoals de Cheshire Cat in Lewis Carroll’s Alice’s Adventures in Wonderland 1 het stelt: alleen al het feit dat ik hier ben en voor u sta op dit festival is een teken van waanzin! U moet weten, ik ben nogal bleu wanneer het op festivals aankomt. Gisteren kon ik dus eigenlijk niet anders dan als kleine Alice het witte konijn achterna springen.

Inmiddels bevind ik mij hier met festivalgangers van heinde en verre, verzameld op de gras- en weidevelden rondom het dorpje Beuningen. Doel: we gaan ‘down under’ in een drie dagen durende gezamenlijke roes van ontmoetingen, tenten, muziek, dans, alcohol en andere drugs,  met wat yoga, neuropsychologische experimenten en filosofische dialoog ter cultureel verantwoorde afwisseling.

Slik die rode pil, en je weet niet wat je meemaakt! In Wonderland volgt het onverwachte op het evenzo onverwachte, is het onmogelijke mogelijk geworden, verliest strenge logica haar zeggingskracht, worden sociale en morele codes vervangen voor (ogenschijnlijk) willekeurig andere, al naar gelang het de Koningin zint! In de droomwereld van Wonderland zoeken we naar onszelf, maar weten we eigenlijk niet meer wie we zijn.

Over de staat waarin Lewis Carroll zijn Alice in Wonderland schreef is al veel geschreven. De vraag lijkt niet zozeer te zijn of hij gebruikt had, maar eerder wat. Zijn het drugs die Wonderland haar bijzondere, magische zeggingskracht geeft? Zijn de drankjes en hapjes die Alice doen groeien en krimpen metaforen voor het gebruik van en de wonderlijke effecten van LSD en paddo’s? 2

Of was Lewis Carroll vooral iemand die op ongekende wijze een droomervaring wist op te tekenen? 3 Magistraal beschrijft hij hoe Alice van de ene ruimte in de andere glijdt, waarin dingen tevoorschijn komen uit het niets, en in het niets verdwijnen, al naar gelang ze haar blik of aandacht erop richt. Ze ontmoet de meest bizarre (en toch herkenbare) figuren: een grijnzende kat die langzaam verdwijnt en verschijnt, een hash-rokende rups, een norsige griffoen en treurige pseudo-zeeschildpad, tot leven gekomen kaarten die continu vrezen voor hun leven en een hoedenman die voortdurend thee moet blijven drinken omdat de Tijd boos op hem is.

In het heetst van het strafproces waarin het vonnis geveld is voordat de aanklacht überhaupt duidelijk is en een tot enorme proporties groeiende Alice als getuige wordt opgeroepen, wordt ze wakker gemaakt door haar zus – en blijkt dat ze het allemaal gedroomd heeft. Toch? Terwijl de kleine Alice vrolijk babbelt over al haar belevenissen, droomt haar zus in de laatste zinnen van het boek weg naar dat wonderlijke Wonderland, in een steeds sterker wordende wens ook te ontsnappen aan “dull reality”. 4

In die twee woorden ligt volgens mij precies de appeal, de verleidelijke kracht van Wonderland. De allure van grootse scheppingskracht, van avontuur, van verder en dieper zien dan ooit tevoren. Wat Wonderland lijkt te bieden is een droomwerkelijkheid die werkelijker is dan onze eigen saaie voorspelbare alledaagsheid en de gehaaste go-go-go van ons leven, een waarheid dieper dan we op normale wijze kunnen achterhalen, omdat we normaal zo ondergedompeld zijn in wat hoort, wat moet, wat loopt. Zoals het festival het in haar programmaboekje stelt: Down The Rabbit Hole, “waar je kunt zijn wie je bent als niemand je kan zien.”

Maar weten we eigenlijk wel wat Wonderland is? Wat zou het eigenlijk betekenen als we echt ‘Down The Rabbit Hole’ zouden gaan? Wat voor een festival zou dat opleveren? Is dat het Wonderland waar we naar op zoek zijn? En is dat wat het Beuningse Wonderland ons feitelijk te bieden heeft?

Wanneer in de film The Matrix Neo van Morpheus de keuze krijgt tussen een blauwe pil en een rode pil, kiest Neo voor het avontuur: “You take the red pill, and you stay in Wonderland, and I’ll show you how deep the rabbit hole goes”.  En diep gaat het! Maar de wereld waarin Neo belandt is grauw, grimmig, hard, armoedig, ontdaan van alle schoonheid en geluk. Evenmin is Alice’s wonderland erg gezellig. 5 De sfeer is verwarrend en disturbing, soms grimmig, vaak onvriendelijk en geenszins hippie flowerpower. Alice groeit en wordt piepklein – zo klein dat ze bijna verdwijnt. Ze plengt zulke dikke tranen dat ze bijna in haar eigen verdriet verdrinkt. De vreemde schepselen die ze tegenkomt zijn vooral onvriendelijk – ze lachen Alice uit, bespotten haar domheid en onwetendheid, begrijpen niet wat ze zegt, zijn uiterst gevoelig voor taal. Haar ogenschijnlijk onschuldige opmerkingen worden continu verdraaid en verhaspeld. Het witte konijn waar ze zo naarstig naar op zoek is, is haastig en heeft slechts prikkelbare aandacht voor Alice. Als Carroll al een psychedelische trip beschrijft, dan toch eerder een bad trip. Als het een droom is, dan heeft die toch bijzonder nachtmerrie-achtige kantjes.

Maar kijk ons hier, op Down The Rabbit Hole, met haar flowerpower uitstraling, haar enorm ontspannen en gezellige sfeer, waar de zon vrolijk schijnt en iedereen lacht, waar niets te gek is en alles mag. Grimmigheid is ver te zoeken, en eerlijk gezegd, daar zijn we ook helemaal niet naar op zoek.

Dus nogmaals: zijn wij wel bereid echt te dromen en te hallucineren? Houden we onszelf niet enorm voor de gek hier? Eigenlijk lijkt Wonderland en de reis die Alice daar maakt verdacht veel op onze zogenaamde saaie werkelijkheid! Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat onze werkelijkheid alleen maar grimmig en verwarrend is. Toch, ons leven is, als we er even over nadenken, best wel een beetje als de hobbelige weg van aaneengeschakelde absurditeiten die Alice in Wonderland meemaakt.

Zijn wij niet juist in ons dagelijks leven op zoek naar onszelf, en zijn er niet allerlei redenen om aan onszelf te twijfelen? Hebben wij niet ook vaak zat moeite met de onrechtvaardigheid of willekeur van de regels die ons omringen? Is het niet vaak moeilijk de samenhang te vinden in en betekenis te hechten aan de aaneenschakeling van al dan niet bijzondere momenten en ontmoetingen? Ken je niet ook de ervaring dat je in een gesprek betrokken bent, waar je helemaal geen soep van kunt maken, ook al gebruiken de sprekers woorden en zinsfrasen die je kent (misschien heb je stiekem die ervaring nu hier in de Speaker’s corner wel)?

In de hier geschapen relaxte gezelligheid en gezamenlijkheid zijn we op Down The Rabbit Hole eerder bezig uit Wonderland te vluchten, dan erin te tuimelen. Juist in haar omgrenzing in tijd (drie dagen), fysieke ruimte (een met hekken afgezet terrein) en sociale ruimte (zonder kaartje ben je niet welkom, en eenmaal op het terrein gelden allerhande sociale codes – waarvan misschien de belangrijkste is: doe gek en geniet!), biedt Down the Rabbit Hole voor even een manier om te ontvluchten aan de onsamenhangendheid, onrechtvaardigheid en verwarring die ons in het dagelijks leven ontmoet.

Toch, het blijft een verleidelijke gedachte waar we graag ons aan overgeven: ons dagelijks leven is saai en hier op het festival is het cool. Het is het idee dat juist dromen en drugs ons in staat te stellen een hogere vorm van werkelijkheid of waarheid te ervaren of tot een dieper begrip van die werkelijkheid te komen. Het is pas in het weekend op festivals, feestjes en concerten waar ik buiten de geijkte patronen treedt, me overgeef aan een droomwereld zonder commitments en regelmatigheden, waarin de dingen spontaan kunnen gebeuren zonder dat ik ze controleer, dat ik echt kan leven. Dat is een opvallende paradox: daar waar we pretenderen ons over te geven aan de onwerkelijkheid van onze dromen en hallucinaties, daar denken we pas op een meer werkelijke, een meer authentieke manier te leven.

Mijn voorstel zou zijn dat we deze verleiding wat meer proberen te weerstaan. Niet ten faveure van een wereldbeeld waarin dromen en hallucinaties geen rol spelen, waarin wetenschappelijk onderzoek of sociale mores mij vertellen wat de echte werkelijkheid is, en ik wel een toevlucht moet doen naar een droomwereld om mijzelf staande te houden. Aan beide gevallen ligt namelijk dezelfde vooronderstelling ten grondslag: we hebben deze gedeelde saaie, voorspelbare, meetbare wereld en een andere mooiere, inspirerende, hogere (zij het niet wetenschappelijke) werkelijkheid.

Nee, laten we eerder droom en werkelijkheid als twee kanten van dezelfde medaille te zien. 6 Ter kleine oefening kunnen we even stilstaan bij een aantal alledaagse ervaringen die jullie wellicht herkennen en die dit wat duidelijker kunnen maken. Je herinnert je wellicht nog wel je knuffel van vroeger, met wie je gewoon gesprekken kon voeren, niet? Als kind had ik ook een “nepvriendinnetje”, waarvan ik mij weldegelijk bewust was dat ze niet echt bestond – ze heette niet voor niets “nepvriendinnetje” – maar die toch onderdeel van de wereld was en alles kon wat ik niet kon of durfde. 7 En zelfs nu we volwassen zijn: een ruimte is compleet anders wanneer de sfeer gezellig is omdat er iemand zijn verjaardag viert, of juist bedrukt omdat er zojuist iemand overleden is – maar is die sfeer nu ingebeeld of daadwerkelijk aanwezig? 8 Wanneer midden in een film de muziek ophoudt, transformeert de dramatische scene tussen twee geliefden in een bizarre komedie van overvloedige gebaren en gelaatsuitdrukkingen. 9 Misschien herken je ook wel de toestand waarin je in bed ligt, een boek leest, nog wat nadenkt over de dag en half in slaap valt – en dan ligt er naast je opeens de grijnzende kat die je erop wijst dat we allemaal gek zijn geworden! Een boomstronk die op het pad ligt, blijkt wanneer ik verder loop alleen een speelse lichtvlek te zijn van het zonlicht dat door de bladeren valt; terwijl die schaduw in de verte waarvan ik dacht dat het van een boom was, opeens mijn geliefde blijkt te zijn – en dat verandert alles! 10 Wanneer ik op zoek ben naar een hamer om de haringen in de grond te slaan, dan verandert de zware steen die naast mij ligt opeens in een ‘hamer’ en die trui in ‘zeer ongeschikt om mee te hameren’, terwijl het kopje koffie waarin ik zojuist nog zo’n zin had, volledig uit mijn blikveld verdwijnt. 11

Dit betekent niet dat er niet zoiets is als dromen, fantaseren of hallucineren. Ergens willen we een grens kunnen stellen aan een werkelijkheid die “echt” is, en een die dat niet is, een droomwereld, misschien juist om daarbinnen alle ruimte voor onze fantasieën en illusies te hebben. Maar het feit dat we de ervaring van het wakker worden of van de desillusie kennen, hoeft volgens mij niet zozeer te betekenen dat er een veel spannendere en creatievere droomwereld naast onze werkelijkheid is, maar eerder dat we binnen onze ervaringswereld grenzen trekken – een ervaringswereld die dynamisch is en in zichzelf vraagt om voortdurend te kijken, om opnieuw te kijken, nauwkeuriger te kijken, te corrigeren of aan te passen, nieuwe mogelijkheden te zien etc.

Daarmee wordt de grens tussen de twee minder vanzelfsprekend en wordt onze ervaring en de werkelijkheid die ervaren wordt veel uitdagender en spannender. Als ik nu achter jullie een grote gestalte zie opdoemen die vreemde kreten uitslaakt en ik daar paniekerig of enthousiast op reageer, dan word ik aan het einde van de dag misschien afgevoerd. Maar als ik jullie vraag in die vreemdgevormde wolk boven ons een konijn te zien, dat een ander konijn tegenkomt waarna ze vervolgens in een diep konijnenhol springen – dan lukt jullie dat vast. Waar ligt deze grens tussen droom en werkelijkheid, tussen gekte en normaliteit?

Down The Rabbit Hole biedt veel moois en goeds – en over een paar dagen is het alweer afgelopen. Moeten we dan terugkeren naar de “saaie werkelijkheid” van alledag, zoals Alice en haar zus verzuchten? Misschien hadden we überhaupt niet hier moeten gaan zoeken naar Wonderland. Waarom zouden we dan toch naar festivals zoals deze gaan? Down The Rabbit Hole kan ons wellicht wijzen op onze rijke ervaring die niet los staat van, maar verweven is met de werkelijkheid, en die een uitdrukking zou kunnen zijn van onze alledaagse ervaring, niet een afwijking daarvan. Dit betekent niet dat iedere dag een feestje zou moeten zijn. Het is meer dat het geen feestje hoeft te zijn om onze alledaagse ervaring een leven in Wonderland te laten zijn. Laten we vooral genieten van het wonderland dat Down The Rabbit Hole te bieden heeft. Maar misschien kunnen we komende week wanneer we weer wakker worden in ons eigen bed onze ogen überhaupt beter openen, openstaan voor wat op ons afkomt en niet nalaten ons te blijven verwonderen over ons wonderlijke bestaan.

 

Notes:

  1. Ik heb gebruik gemaakt van de volgende editie: Lewis Carroll,  Alice’s Adventures in Wonderland and Through the Looking Glass, ingeleid en geannoteerd door Hugh Haughton, London 1998 (Penguin Classics). Zie p. 57 voor deze passage met de Cheshire Cat.
  2. Of drugs die in Carroll’s tijd in de omloop waren. Zie voor een interessante en inspirerende discussie over de (al dan niet bestaande) grenzen tussen “real” en “distorted reality” in het licht van Alice in Wonderland, dromen en drugs, Scott F. Parker’s “How deep does the rabbit-hole go? Drugs and dreams, perception and reality” in: Alice in Wonderland and Philosophy, R.B. Davis (red.), Hoboken, New Jersey 2010 (John Wiley & Sons), pp. 137-151. Voor een meer algemeen overzicht van de relatie tussen Alice in wonderland en de moderne kentheorie en de filosofie van de waarneming, zie, in hetzelfde boek, Robert Arp, “Alice, Perception and Reality: Jell-O Mistaken for Stones”, pp. 125-136.
  3. Alice beschrijft het zelf als een droom: “Oh, I’ve had such a curious dream!” (p. 109). Hugh Haughton, die een inleiding bij Alice in Wonderland schreef, merkt op dat de fantasiewereld die Carroll schiep vooral ook een Freudiaanse confrontatie en externalisatie van zijn eigen binnenwereld was – zijn eigen (perverse) wensen, zijn wanordelijke gedachten, zijn angsten (H. Haughton, Introduction to The Adventures of Alice in Wonderland and Through the Looking Glass, pp. xxiii-xxiv). Haughton wijst bovendien op de mate waarin Alice in Wonderland, net zo goed als Jane Austens ironische sociale zedenschetsen, gelezen kan worden als een zoektocht van Alice naar identiteit binnen de eisen en regels van haar eigen sociale context (“One of the great appeals of the Alice books is that (…) they dramatize the puzzling nature of identity in a World dominated by rules and rulers that remain obstinately unpredictable and undecipherable.” (p. xli)) en de mate waarin dat Wonderland een afspiegeling is van 19e-eeuws Victoriaans Engeland.
  4. Lewis Carroll, Alice in Wonderland, p. 110.
  5. Zoals Haughton het formuleert, “The Wonderland garden is no childhood Eden, but a life-and-death croquet match presided over by a homicidal Queen shouting ‘Off with their heads’ every second minute.” (H. Haughton, Introduction to Alice in Wonderland, p. xliii).
  6. Deze gedachtes en overwegingen zijn met name geïnspireerd door Maurice Merleau-Ponty’s Phénoménologie de la perception, Parijs 1945 (Gallimard), vertaald als Phenomenology of Perception, D.A. Landes, Oxon 2012 (Routledge).
  7. Het een en ander wordt mooi geïllustreerd in de TED-talk van juni 2014 van kinderboekenschrijver Mac Barnett die ik onlangs (14 september 2015) zag. Hierin vertelt hij over fictie als de plek bij uitstek waar waarheid en onwaarheid elkaar overlappen. Dat laat twee mogelijkheden: enerzijds kunnen we ons realiseren dat het fictie is, dat het “niet echt, niet werkelijk” is, en erin duiken als een soort ontsnappingsoord uit die “dull reality”. Maar we kunnen fictie ook in die werkelijkheid zelf brengen – we kunnen de verwondering die fictie ons biedt onderdeel laten zijn van ons leven. Aan de hand van het voorbeeld van het jongetje Nico en zijn blauwe walvis Randolf, laat hij prachtig zien hoe met name kinderen (zoals Alice) die capaciteit bezitten. Zie: https://www.ted.com/talks/mac_barnett_why_a_good_book_is_a_secret_door.
  8. Cf. Martin Heidegger, Sein und Zeit, Tübingen 1977 (Max Niemeyer Verlag), pp. 134-140
  9. Cf. M. Merleau-Ponty, Phénoménologie de la perception, pp. 271-272
  10. Cf. M. Merleau-Ponty, Phénoménologie de la perception, pp. 342-344
  11. In het licht hiervan is de door de fenomenologie (Heidegger, Merleau-Ponty) en ecopsychologie (Gibbson) geïnspireerde theorie van affordances en solicitaties interessant (cf. ontwikkeld in het werk van filosofen als Hubert Dreyfus en Erik Rietveld).

Tags: , ,

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn geen reacties op dit artikel

Reageer op dit artikel




Bericht