Een pleidooi voor kinderlijke verwondering

Auteur(s): Daan Keij | Categorie: Podium

[Dit artikel is gepubliceerd in Splijtstof 46-2]

 

Kinderen kunnen soms verrassen met hun verwonderde blikken en uitspraken. Kan de filosoof iets van hen leren? Karl Jaspers denkt van wel: “Niet zelden hoor je uit een kindermond een diepzinnigheid die direct naar de kern van het filosoferen voert.”[1] Deze analogie tussen kind en filosoof zien we ook in iets anders terug: ik heb mij laten vertellen dat de Japanse taal hetzelfde karakter zowel voor ‘kind’ als voor ‘filosoof’ gebruikt. Dit citaat van een autoriteit gecombineerd met een triviaal feitje geeft ons genoeg aanleiding om de verbanden tussen verwondering, kindheid en filosoferen verder te verkennen. Wat is nu precies verwondering? En wat is dan de kindheid die in de verwondering van zich blijk geeft?

Voor mij is het kenmerkende van de filosofie dat zij, bij al haar vragen en onderzoekingen, steeds ook – al is het impliciet – haar eigen aard mee bevraagt. Filosofie is per definitie zelfreflexief. Zij moet dus ook steeds vragen naar de aard van het filosofische denken, en proberen aandacht te hebben voor wat het denken in gang zet, wat het leidt en wat stof tot denken geeft. In dit kader is het noodzakelijk om de verwondering aandachtig te onderzoeken. Als zij het begin en – volgens Plato en Thomas van Aquino – zelfs beginsel is van het denken,[2] kan een filosofie die haar naam waar wil maken er niet omheen.

Voor het verkennen van de aard van de verwondering zullen we aanhaken bij een andere notie die een belangrijke rol speelt bij enkele filosofen van de vorige eeuw: kindheid. Verwonderen is volgens mij namelijk precies kind worden. Of we dit moeten begrijpen als kinderlijk of kinderachtig – of misschien zelfs kinds – zal nog moeten blijken uit de rest van dit essay.

 

Een kindheid die blijft

We beginnen heel letterlijk bij het begin. Elk mens begint zijn leven als kind. Ons volwassen zelfbewustzijn was er niet steeds al, maar is voorafgegaan door een periode die nu in duisternis gehuld is. De meeste van onze herinneringen beginnen bij enkele gebeurtenissen uit ons derde of vierde jaar. Het filosofische begrip van kindheid dat denkers als Lyotard en Agamben inzetten, lijkt vooral gemodelleerd naar de ‘duistere’ jonge kindertijd. Het gaat hen niet om de empirische daadwerkelijke kindertijd, maar om een aspect van het menszijn dat met de metafoor van het kind misschien wat verheldert kan worden.

Het vergeten van de jonge kindertijd heet “infantiele amnesie,”[3] een fenomeen dat volgens mij meteen een belangrijk aspect van de kindheid aanduidt. We komen daar straks nog op terug. Wat kunnen we van de kindheid zeggen, ondanks die vergetelheid? Misschien moeten we zeggen dat het kenmerkende is dat het kind juist van alles nog niet is. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar enkele definites van menszijn die we kunnen vinden in de geschiedenis van de filosofie: het bekende “de mens is een redelijk dier” (toegeschreven aan Aristoteles)[4] of het minder bekende “een dier zonder veren dat op twee poten loopt” (toegeschreven aan Plato).[5] Wat hebben deze ogenschijnlijk ongerelateerde definities met elkaar gemeen?

Ze gaan allebei niet op voor het kind. Zo mist het kind bijna alles wat redelijk is en wat de mens van andere dieren onderscheidt, bijvoorbeeld taal, rationeel denken en cultuur. Zelfs de definitie van Plato klopt niet, omdat het kind weliswaar geen veren heeft maar in ieder geval in het begin nog op vier poten loopt of kruipt. In het voorwoord van Het onmenselijke schrijft Lyotard dan ook dat het jonge kind nog amper kan lopen, laat staan praten, regels opvolgen of een productieve bijdrage leveren aan de economie.[6] Het kinderlijke valt zo buiten de definities van menszijn. Het heeft bijna iets onmenselijks. Alhoewel dat misschien op het eerste gezicht klopt, is het ook belangrijk om in te zien dat de kindheid een voorstadium is van de volwassenheid. Het is als het zaadje waar eigenlijk de volwassenheid in potentie al inzit. Het hoeft alleen nog maar te groeien. Een van de vragen die ik in dit essay wil beantwoorden is of we met zo’n blik recht doen aan de kindheid. Is het kind echt alleen maar een gebrekkig volwassenzijn?

Een tijd terug las ik in Splijtstof een erg interessant artikel over mens en techniek.[7] Aan de hand van de filosofie van Bernard Stiegler werd beargumenteerd dat de mens wezenlijk gebrekkig is en daarom altijd zijn wezen met techniek moet supplementeren. Als voorbeeld van deze gebrekkigheid werd het kind genoemd, dat met de techniek van de opvoeding vervolmaakt moet worden (tot volwasdom moet komen). Het kind is voor Stiegler dus gebrekkig. Maar wat betekent dit precies?

Een kind moet nog tot volwassen mens – letterlijk: tot voltooid, tot compleet en volledig mens – worden opgevoed. Een ander woord voor opvoeding is vorming. Dit woord geeft aan dat het kind nog vorm nodig heeft, wat natuurlijk impliceert dat het nog vormloos of in ieder geval niet volledig gevormd is. Op zich beschouwd is het kind alleen nog de mogelijkheid tot structuur, tot gevormdheid oftewel volwassenheid.

Als we deze mogelijkheid echter verder onderzoeken, zien we waarom kindheid veeleer een exces is in plaats van een tekort. Dit heeft twee redenene. De potentie van het kind is ten eerste altijd ruimer dan wat er uiteindelijk in de volwassenheid werkelijk wordt. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Daniel Heller-Roazen schrijft over de taalverwerving dat kinderen in principe in staat zijn alle talen te leren.[8] Wat gebeurt er echter in de volwassenheid? De meesten van ons komen niet veel verder dan het spreken van een of twee talen. De open en bijna oneindige mogelijkheid tot taal is gestold in een of twee vaste structuren. Ten tweede is de potentialiteit ook altijd een mogelijkheid om niet werkelijk te worden. Zo komt de potentialiteit van een kind voor taal ook tot uiting als het geen taal leert. Dat is geen ontkenning van de potentialiteit, maar een wezenlijk aspect ervan.[9]

De potentialiteit en de openheid van het kind lijken in de volwassenheid grotendeels te verdwijnen. Mijn stelling is echter dat deze in principe nog steeds kan doorbreken. Zoals ik straks zal betogen is dat wat de verwondering laat zien. Geen enkele structuur is zo totaal dat zij niet op losse schroeven kan komen te staan in de verwondering. Giorgio Agamben benadrukt dan ook dat we kindheid niet als levensfase of als biologisch verschijnsel moeten zien, maar als de onbepaaldheid in elke mens waaruit iets nieuws kan opkomen.[10] Dit betekent dat de kindheid als het ware latent aanwezig is in elke volwassen gestolde structuur. Kindheid is dus geen levensfase die we zouden kunnen “afleggen als een oude jas,”[11] veeleer is het een soort open kern van het menszijn waar de volwassenheid omheen groeit. De kindheid is dan niet weg, maar onderdrukt door de structuren die het alleen maar kunnen wegmoffelen.

Terecht stellen Lyotard en Agamben in het licht van deze opmerkingen de vraag wat nu het écht menselijke is: zijn dat de instituties, de structuren, de talen die er al zijn? Of is het veeleer de kindheid als potentialiteit, omdat die bij al die instituties en structuren steeds al voorondersteld is (al is het in de vorm van achtergelaten en afgesloten)?

Maar we moeten voorzichtig zijn met het aanvaarden van de ontwikkeling van kind naar volwassen zoals ik die net heb geschetst. We zagen al dat de kindheid eigenlijk nooit verdwijnt. Daarbij is het ook misschien te simpel om te zeggen dat de kindheid er eerst is, en dan pas de volwassenheid. Lyotard schrijft dan ook dat de kindheid strikt genomen niet als de oorsprong van de volwassenheid gezien kan worden. Infantiele amnesie laat precies zien dat de kindheid niet aan zichzelf tegenwoordig is. Om überhaupt van zich blijk te kunnen geven, is de volwassenheid dus noodzakelijk. In de woorden van Lyotard: “. . . het vooronderstelt heel het a priori van taal, het gaat uit van al de idiomen van het culturele en persoonlijke verleden, en men kan het beter een snede door het midden van de duizend vertogen noemen dan hun bron . . . .”[12]

De relatie tussen kindheid en volwassenheid wordt hierdoor gecompliceerd: de kindheid wordt ge(re)construeerd als de oorsprong van de volwassenheid, maar vooronderstelt zelf die volwassenheid om van zich blijk te kunnen geven als breuk erin. Zowel Lyotard als Agamben benadrukken daarom de etymologie van hun woorden voor kindheid (enfance en infanzia). De infans is letterlijk de niet-sprekende. Het niet-sprekende staat daarmee haaks op de talige structuren die zij essentieel achten voor de volwassen subjectiviteit en onze relatie met de werkelijkheid. Je zou vanuit de volwassen structuren dus ook kunnen zeggen dat de kindheid precies het niet-totaal-zijn van die structuren is, de rest die achterblijft. Wat bedoelen Lyotard en Agamben hiermee?

Om dit wat te verduidelijken keren we terug naar het fenomeen van de infantiele amnesie. Freud benadrukt dat wij weliswaar nauwelijks herinneringen hebben aan onze kindheid, maar dat dit niet betekent dat die kindheid geen sporen heeft achtergelaten in wie wij nu zijn. Sterker nog: de kindheid blijft aan het werk in ons volwassen denken en doen zonder dat wij het in de gaten hebben. Kortom, de duisternis van de kindheid is niet alleen te localiseren voor ons vierde levensjaar, maar blijft voortbestaan als donkere vlek in het licht van de volwassen rede.

Het probleem is dat de volwassenheid deze onophefbare kindheid neigt te negeren. De structuur wordt vanzelfsprekend. Dit zie je bijvoorbeeld in uitdrukkingen als “het is wat het is” of “de dingen zijn nu eenmaal zo.” Deze uitdrukkingen miskennen precies de mogelijkheid tot iets nieuws die in onze kindheid vervat ligt. Als de structuren en bepalingen vanzelfsprekend en gesloten worden, dreigt er een leven dat niets nieuws meer toelaat, het andere uitsluit en alleen nog maar een eeuwige wederkeer van hetzelfde is. Lyotard laat dit goed zien in zijn analyse van het beheersings- en vooruitgangsdenken.

In Het onmenselijke onderscheidt Lyotard twee soorten ‘onmenselijkheid’: het onmenselijke van het kind dat ik zonet beschouwde en het onmenselijke van wat hij “het systeem”[13] noemt, een verzamelnaam voor vooruitgangsdenken, beheersingsdenken en kapitalisme. Dat systeem leidt alleen maar naar meer systeem, in dienst van de vooruitgang naar meer vooruitgang. Hiervoor is efficiëntie en tijdwinst noodzakelijk. Hoe beter we in de gaten hebben hoe alle processen werken, hoe beter we de processen beheersen, hoe meer we ze naar onze hand kunnen zetten in de richting van een betere toekomst.

Het laatste waar een systeem gericht op efficiëntie, transparantie en tijdwinst op zit te wachten is het onbeheersbare van de kindheid. Het totalitaire vooruitgangsdenken doet dan ook alsof er geen kindheid is en sluit zich af van het mogelijke, het onbepaalde dat in haar binnenste rondwaart.[14] In die zin is er sprake van een amnesie van de infantiele amnesie, een vergeten van datgene dat we alleen maar kunnen vergeten, van dat wat op geen enkele manier her-innerd kan worden.

Hier zie ik het belang van een kinderlijke verwondering, als een levenshouding die het contact met de kindheid niet verliest maar juist in stand houdt. De volwassenheid moet niet losgesneden worden en op zichzelf staan, het gaat er juist om de verbinding tussen kindheid en volwassenheid in stand te houden. We kunnen nu zelfs stellen dat – als het inderdaad zo is dat de kindheid de volwassenheid blijft bespoken – volwassenheid alleen maar een ideaal kan zijn in plaats van een werkelijke identiteit.[15] Het gaat dus niet om het opheffen van de andersheid van de kindheid, maar juist om het erkennen daarvan. Met andere woorden: het gaat erom dat we niet vergeten dat er altijd iets vergeten wordt.

 

Verwondering als ethos

Voor de notie van verwondering baseer ik mij voornamelijk op het werk van Cornelis Verhoeven, een filosoof wiens werk niet alleen over verwondering gaat, maar altijd ook in de toon en stijl getuigt van de verwondering die het doortrekt en draagt. Hij schreef het boekje Inleiding tot de verwondering[16] waarin hij verdedigt dat een inleiding in de filosofie in ieder geval moet proberen de schok die het denken in gang zet te prikkelen, veeleer dan een verzameling ideeën van veelgelezen filosofen te presenteren.

Maar wat verstaat Verhoeven dan onder verwondering? Volgens mij kan je in zijn begrip van verwondering twee betekenissen onderscheiden: enerzijds verwondering als schok of gebeurtenis en anderzijds als houding. De eerste betekenis legt de nadruk op het passieve karakter van verwondering. De tweede daarentegen laat voor mij zien dat wij ook zelf iets kunnen doen. Ik begin met de eerste betekenis voordat ik verder ga over wat wij nu zelf moeten doen met verwondering.

Als schok is de verwondering in ieder geval een inbreuk in je normale omgang met de dingen. Waar je normaal gesproken aan de dingen voorbijgaat (en –praat) en er letterlijk ‘niet bij stil staat,’[17] word je in de verwondering tot stilstand gedwongen en met stomheid geslagen. We herkennen hierin al het in-fantiele van de verwondering. De vanzelfsprekendheid van de wereld waarin je leeft valt weg. Verhoeven drukt het kernachtig uit als hij schrijft dat in het zo-zijn van de dingen hun mogelijkheid tot anders-zijn verschijnt.[18] De dingen verschijnen dus niet meer als simpelweg gegeven, maar als onwaarschijnlijke verwerkelijkingen uit een scala aan mogelijkheden. Belangrijk is hierbij op te merken dat die mogelijkheid tot anders-zijn onbepaald blijft. Dit betekent dat iets niet ineens verschijnt als zus, terwijl het ook zo had kunnen zijn, maar eerder dat er een opening in de vanzelfsprekendheid ontstaat die niet direct in een ondubbelzinnig begrip te omsluiten is. Dit is de potentialiteit die we zo treffend in de figuur van het kind zien.

We zien meteen dat elke vorm van beheersingsdenken de verwondering zo snel mogelijk de kop zal moeten indrukken. Verhoeven drukt dit uit in woorden die aan die van Lyotard zojuist doen denken: “[De verwondering] belet dat er een geslotenheid, een systeem ontstaat. . . . De geslotenheid van het systeem . . . heeft er dus belang bij het belangeloze [van de verwondering, DK] te weren uit haar domein.”[19]

De verwondering vindt plaats als een schok. Die dwingt je om opnieuw naar de dingen te kijken, alsof je ze als nieuw ziet. Het brengt jou in beweging, omdat er in je vanzelfsprekende wereldbeeld gaten zijn gevallen. In die zin is de verwondering het begin van het denken. Een vereiste van het denken is namelijk dat er iets te denken valt, dat er geen pasklare antwoorden liggen. We zien nu waarom Verhoeven benadrukt dat de verwondering het begin van elke filosofie is: de zoektocht van het filosoferen vooronderstelt het fragwürdig worden van de anders vanzelfsprekende wereld. Ergens naar vragen betekent altijd een opening maken in vooronderstelde identiteiten. Maar we moeten meteen opmerken dat – voor zover de vraag altijd ergens naar vraagt en dus een richting heeft[20] – in het vragen de schok van de verwondering eigenlijk al te boven is gekomen.[21]

Uit deze beschrijvingen blijkt dat de verwondering niet iets is dat ik zelfbewust in gang zet. De verwondering is een gebeuren dat mij overkomt. Verhoeven benadrukt daarom wat het woord wijsbegeerte zegt: als begeerte is het een pathos, een lijden.[22] In die zin is het begin van de filosofie juist aan de eigenmachtigheid van het denken onttrokken. De inbreuk van het onbepaalde verhindert de filosofie om tot een gesloten systeem te worden. Dit kan alleen als de verwondering koste wat kost wordt uitgesloten, al zal zelfs de meest dogmatische denker zich aan een eventuele inbreuk niet kunnen onttrekken. De verwondering is immers, zoals we al zagen, juist datgene dat zich aan mijn wil niks gelegen laat liggen.

Nu we de eerste betekenis van verwondering – de verwondering als schok – onderzocht hebben, lijkt de tweede betekenis paradoxaal. Wanneer we worden overvallen door verwondering doen we dat niet zelf. Wat zou het dan kunnen betekenen dat de verwondering een houding is, iets waarin ik zelf ook wat in te brengen heb? Ik meen echter dat het passieve en het actieve elkaar niet hoeven uit te sluiten. Om dat zichtbaar te maken wenden we ons tot de werking van inspiratie.

Iedereen die schildert, schrijft, muziek maakt of iets dergelijks weet dat de inval inderdaad niet af te dwingen is. Of de juiste penseelstreek, het goeie woord of de pakkende melodie invalt heb je niet zelf in de hand. Maar toch maakt het uit of jij echt de tijd en ruimte neemt om een opening te maken waarin de inval zou kunnen plaatsvinden. Dat is volgens mij de kern van wat ik dan verwondering als houding zou noemen: tijd en ruimte maken voor het onverwachte en andere. Als je alles volgepland hebt of alles van te voren bepaalt en vastlegt, wordt de kans veel kleiner dat er echt iets gebeurt. Tijd maken is dus erg belangrijk. Volgens mij is vanuit dit oogpunt ook te begrijpen waarom Lyotard – die steeds benadrukt dat wij de kindheid niet moeten vergeten – zo kritisch is op het idee van tijd besparen. Het gaat er hier juist om om uitgebreid de tijd te nemen.

Maar ook ruimte maken is belangrijk, in de zin van actief op zoek gaan naar andere perspectieven. Dan blijkt namelijk hoe weinig vanzelfsprekend alles is, en dat bijna alles ineens de mogelijkheid tot anders-zijn in zich kan dragen. De typische vragen van kinderen zijn een perfecte illustratie hiervan. Bij alles kunnen ze – tot vervelens toe – vragen “waarom dan?” en “hoezo dan?”. De perfecte illustratie van wat ik chargerend ‘volwassenheid’ heb genoemd wordt dan duidelijk in het antwoord van de ouders, die met een “omdat ik het zeg en nu ophouden!” de kloof van de verwondering voortijdig weer dichten…

 

Naar een kinderlijk filosoferen

Natuurlijk heeft het gevolgen voor het filosoferen als je probeert de verwondering te respecteren in plaats van te ontkennen. We zagen al dat de verwondering de filosofie belet om een eeuwige identiteit aan de dingen op te leggen en een gesloten systeem te worden. Steeds kunnen de dingen weer anders blijken te zijn dan je dacht. Hoe zou een filosofie recht kunnen doen aan de verwondering en de kindheid? De kindheid, ook de kindheid die blijft, is in-fantiel – ontalig – en is dus niet rechtstreeks uit te drukken. Verhoeven schrijft dan ook: “De taal is een omweg naar de sprakeloosheid. Als er echt iets gebeurt, hebben wij niets te zeggen.”[23]

Het filosoferen zou dan niet alleen gaan om het uitdrukken van een of andere waarheid, maar vooral om het leiden naar de sprakeloosheid van de verwondering. Ben ik in mijn denken vooral perspectieven aan het afsluiten of worden er juist nieuwe zienswijzen geopend? Stompt het af of verwondert het? Dit zijn vragen die meer betrekking lijken te hebben op een stijl, veeleer dan op het onderwerp of de inhoud.

Of het lukt om de juiste stijl te vinden die recht doet aan de kinderlijke verwondering is niet te checken. Dan zouden we de kindheid weer bepalen en vastleggen, het zou als een kleurstaal worden dat we naast filosofische essays kunnen leggen om te zien of de kleur overeenkomt of niet. Dat gaat niet lukken.

Over wat een echte filosofie zou zijn schrijft Oudemans, een filosoof die in al zijn werk ook vraagt naar de stijl van de filosofie: “Echtheid: trouw aan datgene wat je onbekend is, maar waarvan je vermoedt dat het jou draagt.”[24] Je probeert dat niet uit het oog te verliezen, maar je kan ongemerkt afdwalen en wegzakken in een moeras van woorden die de kinderlijke verwondering verstikken. Wat dit betekent voor het filosoferen wordt kernachtig uitgedrukt door Oudemans: “Ik hoop op echtheid – maar daar ga ik niet over.”[25] Laten we het in ieder geval proberen.

 

 

____________________________________________________________________________

 

[1] Karl Jaspers, Inleiding tot de filosofie, vert. M. Wildschut, (Nijmegen: Vantilt, 2013), 8.

[2] Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, (Bilthoven: Ambo, 1967), 35-36.

[3] Sigmund Freud, Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie (1905), (V&R unipress: Göttingen, 2015), 83.

[4] Deze definitie wordt vaak aan Aristoteles toegeschreven, maar ik heb niet kunnen achterhalen waar hij het letterlijk zo opschrijft. Het dichtste bij kwam de opmerking dat de mens zich van de dieren onderscheidt door het hebben van taal (logos), zie: Aristoteles, Politica, vert. J. M. Bremer en T. Kessels, (Groningen: Historische Uitgeverij, 2012), 38.

[5] Diogenes Laërtius, Leven en leer van beroemde filosofen, vert. R. Ferwerda en J. C. B. Eykman, (Baarn: Ambo, 1989), 191.

[6] Jean-François Lyotard, Het onmenselijke, vert. I. van der Burg, F. van Peperstraten en H. van der Waal, (Kampen: Kok Agora, 1992), 10.

[7] Boris van Meurs, “Het gebrek en de techniek: Bernard Stieglers Pharmacologie,” Splijtstof, laatst geraadpleegd op 6 oktober, 2017, http://splijtstof.com/het-gebrek-en-de-techniek-bernard-stieglers-pharmacologie/

[8] Daniel Heller-Roazen, Echolalias, (New York: Zone, 2005).

[9] Giorgio Agamben, Potentialities, vert. Daniel Heller-Roazen, (Stanford: Stanford University Press, 1999), 182-183.

[10] Giorgio Agamben, “For a Philosophy of Infancy,” vert. Elias Polizoes, Public 21 (2001): 120-122.

[11] Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, 75.

[12] Jean-François Lyotard, Que Peindre?, (Leuven: Leuven University Press, 2012), 124.

[13] Lyotard, Het onmenselijke, 9.

[14] Jean-François Lyotard, Survivor, in Toward the Postmodern, ed. R. Harvey en M. S. Roberts, (Londen: Humanities Press, 1993).

[15] Zie ook: René ten Bos, Het geniale dier, (Amsterdam: Boom, 2008), 11, 86-89.

[16] Verhoeven, Inleiding tot de verwondering.

[17] Martin Heidegger, Sein und Zeit, (Tübingen: Max Niemeyer, 1927), 66-72 .

[18] Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, 31.

[19] Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, 32.

[20] Heidegger, Sein und Zeit, 5.

[21] Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, 38.

[22] Verhoeven, Inleiding tot de verwondering, 12.

[23] Cornelis Verhoeven, De omweg van het woord, (Tilburg: Boekhandel Gianotten, 1980), geen paginering.

[24] Th. C. W. Oudemans, Echte filosofie, (Amsterdam: Bert Bakker, 2007), 25.

[25] Oudemans, Echte filosofie, 25.

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn geen reacties op dit artikel

Reageer op dit artikel




Bericht