Een kritiek van de vrije meningsuiting

Auteur(s): Willem van der Kuijlen | Categorie: Vraagrubriek

 
Incidenten waarbij de vrijheid van meningsuiting in het geding is volgen elkaar in rap tempo op. In Duitsland heeft komiek Jan Böhmermann een proces aan de broek gekregen vanwege belediging van een bevriend staatshoofd, en in Nederland kreeg Sylvana Simons hongerige horden achter zich aan toen ze zich aansloot bij de politieke beweging Denk. Als de zomer voorbij is zal zich ongetwijfeld een volgende situatie voordoen waarin mensen met een beroep op de vrije meningsuiting zich van alle mogelijke kwalificaties willen bedienen, en waarin anderen vinden dat niet alles gezegd mag worden. ´We leven in een vrij land en ik mag zeggen wat ik wil´, en ´Wie het niet met me eens is moet maar oprotten.´ Wat in het geding is, is de vraag of, en zo ja waardoor, de vrijheid van meningsuiting begrensd is.

Misschien kunnen we wat beter zicht krijgen op het probleem als we het herformuleren en analyseren in termen van een kritische vraag in kantiaanse zin: wat zijn de mogelijkheidsvoorwaarden van vrije meningsuiting, of anders gezegd, wat zijn de bronnen, de omvang en de principiële grenzen van vrije meningsuiting? Er is nog een reden waarom Kant behulpzaam kan zijn in deze discussie: één van zijn eigen publicaties bracht hem in direct conflict met de Pruisische censuur. De manier waarop hij daar zelf op reageerde levert een mooi voorbeeld hoe we mijns inziens goed kunnen omgaan met de vrije meningsuiting zonder direct te vervallen in een welles-nietes-spelletje, of een dat-vind-ik-nou-eenmaal-standpunt.

Het is misschien goed om eerst te herinneren aan de oorsprong van de vrijheid van meningsuiting zelf. Het desbetreffende grondwetsartikel (art. 7) verwijst nog enigszins naar die oorsprong: voor het openbaren van gedachten en gevoelens heb je geen voorafgaand verlof nodig behoudens je verantwoordelijkheid volgens de wet. Oorspronkelijk is deze vrijheidsbepaling bedoeld om te voorkomen dat de overheid een beperking aan de vrijheid kan opleggen, zoals dat zeker in de achttiende eeuw nog vaak gebeurde. Het grondwetsartikel regelt primair de verhouding tussen burger en staat. Het genoemde geval van Böhmermann past in deze categorie (verschillen tussen Nederlandse en Duitse wetgeving op dit punt zijn klein; de huidige Duitse grondwet zegt in art. 5 wel expliciet “Eine Zensur findet nicht statt.”). De overheid kan een burger alleen in diens uitingsvrijheid beperken indien deze zijn verantwoordelijkheid volgens de wet niet goed heeft genomen. De beoordeling of dit inderdaad het geval is, is (natuurlijk) voorbehouden aan een onafhankelijke rechter.

Als het, wat betreft vrije meningsuiting, gaat om de verhouding tussen burgers onderling (het geval Simons) golden traditioneel de goede omgangsvormen en fatsoensregels. Tegenwoordig vinden we dat het grondwetsartikel ook voor deze gevallen onverminderd van toepassing is: voor het openbaren van mijn gedachten of gevoelens heb ik geen voorafgaand verlof nodig van medeburgers. Ik mag zeggen wat ik wil. Als er zich een conflict op dit vlak voordoet zoeken we een juridische oplossing. Wie zich door uitspraken onheus bejegend voelt, in zijn goede naam of eer is aangetast kan naar de rechter gaan en vragen om een uitspraak.

Regelmatig hoor je ook stemmen die zeggen dat we uit onszelf ook gerust een aantal fatsoensnormen (weer) in acht zouden mogen nemen om scheldpartijen, belediging, escalatie te voorkomen. De vrijheid van meningsuiting moeten we zelf beperken door ons aan fatsoensnormen te houden. Dit standpunt lijkt me problematisch om twee redenen. Ten eerste is zo’n oproep tot fatsoen vaak vooral een oproep aan anderen om hun gedrag aan te passen. Dat smaakt raar; zo’n oproep is geen oplossing, maar deel van het probleem. Een tweede bezwaar is van meer principiële aard. Je kunt wel oproepen tot fatsoen, maar om er achter te komen wat dat is moet je met elkaar gaan praten. Zo lang er geen eenstemmigheid over bestaat, moet je er van uit gaan dat de vrije meningsuiting onbegrensd is. Fatsoensregels kunnen de vrije meningsuiting regelen, maar als die regels pas een resultaat zijn van meningsuiting, kunnen ze die niet van meet af aan reguleren. Anders gezegd: de meningsvorming over de vraag wat fatsoenlijk is, zal noodzakelijk onfatsoenlijk zijn.

Laten we de aanvankelijke vraag oppakken. Is de vrijheid van meningsuiting begrensd, en zo ja, waar liggen die grenzen en hoe zien ze er uit? Ik wil proberen deze vraag te beantwoorden aan de hand van een andere casus dan de zojuist genoemde. Die betreft het conflict dat Kant zelf heeft gehad met de Pruisische macht. In 1794 ontvangt Kant namens de koning een brief waarin hem verweten wordt dat hij zijn filosofie misbruikt om de leer uit de bijbel en de leer van het Christendom te verdraaien en te belasteren. Dat is in strijd met zijn plicht als leraar van de jeugd. Kant wordt aangespoord in het vervolg van dit soort acties af te zien op straffe van de “hoogste ongenade”. Aanleiding was het verschijnen van Kants werk over de religie (Religion innerhalb … ) in 1793, maar ook in andere kleinere verhandelingen had Kant zich volgens de koning hieraan al schuldig gemaakt.

Kant reageert als volgt: als leraar van de jeugd, dat wil zeggen als hoogleraar, valt hem niets te verwijten. In zijn universitaire colleges onthoudt hij zich altijd van enig commentaar op de bijbel en het Christendom. In de handboeken die hij gebruikt komen ze nooit ter sprake. Ook in zijn eigen publicaties (waaronder Religion) heeft hij niet in strijd met zijn functie gehandeld. Die publicaties waren immers niet bedoeld voor het volk (het publiek in het algemeen), maar voor een select gezelschap van faculteitsgeleerden (theologen en filosofen). Hij kan daarom nooit in strijd gehandeld hebben met de vaderlandse bedoelingen van de koning die gericht zijn op het hele volk. Kant besluit zijn reactie met de belofte dat hij zich in het vervolg als de “meest getrouwe onderdaan” van de koning zal onthouden van openbare voordrachten en publicaties over de religie. Heel slim, eerst ontkennen en vervolgens zeggen dat je het niet meer zal doen. Later zal Kant zeggen dat hij expres deze formulering “meest getrouwe onderdaan” koos; wanneer de koning zou komen te overlijden, zou zijn onderdanigheid aan deze koning onmiddellijk ten einde zijn en zou hij van zijn belofte ontheven zijn. Binnen een jaar na het overlijden van de koning in 1797 publiceert Kant dan ook de Streit der Facultäten, waarin hij zelf de kwestie uit de doeken doet.

De subtiele onderscheidingen die Kant hier maakt om zich van het verwijt te ontdoen herinneren ons direct aan een opvallende distinctie die hij tien jaar eerder had gemaakt in zijn opstel over de vraag wat Verlichting is. Hij stelde daarin dat het proces van verlichting niet iets is dat een eenling kan bewerkstelligen; het is wel weggelegd voor een verzameld publiek zo lang men het maar de vrijheid laat om zelf te denken. Kant noemt deze vrijheid ook wel de vrijheid van het publieke gebruik van de rede. Hij zette dit tegenover het private gebruik van de rede. Terwijl het eerste gebruik altijd vrij moet zijn, is het private gebruik van de rede vaak drastisch ingeperkt (“öfters sehr enge eingeschränkt”). Pleit Kant hier voor een verregaande beperking van de meningsuiting, voor censuur? Niet echt. Hij legt het onderscheid dat hij maakt als volgt uit: het private gebruik van de rede is de manier waarop je je rede gebruikt als je beroepshalve spreekt, als je spreekt vanuit het burgerlijke ambt dat je bekleedt. Als functionaris heb je je te houden aan de bevoegdheden die aan het ambt verbonden zijn; je kunt die niet straffeloos te buiten gaan. Het publieke gebruik van de rede daarentegen is altijd vrij en onbeperkt: je bedient je dan als een geleerde van de rede ten overstaan van de hele lezerswereld, een ´republiek der letteren´ die de grenzen van de eigen staat overstijgen. De enige randvoorwaarde die hier geldt is dat men volgens Kant moet gehoorzamen aan de overheid (“aber gehorcht!”). Deze voorwaarde is verglijkbaar met het “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” uit onze eigen grondwet. De staat zal haar voordeel doen met wat er in een vrij en onbeperkt publiek debat gebeurt.

Met behulp van het onderscheid tussen (beperkt) privaat en (onbeperkt) publiek gebruik van de rede kunnen we Kants opstelling in de kwestie met de censuur begrijpen. In zijn ambt als hoogleraar, dat wil zeggen als leraar van de jeugd en als volksleraar, is hij gebonden aan de bevoegdheden die hem in die hoedanigheid zijn toegekend en moet hij zich houden aan de beperkingen van zijn leeropdracht. De mogelijkheden om vrij te denken zijn voor de ‘private persoon’ beperkt. Als geleerde en als publicist die zich tot vakgenoten en andere ingezetenen van de republiek der letteren richt is het gebruik dat hij van zijn rede mag maken echter onbelemmerd vrij (behoudens zijn verantwoordelijkheid volgens de wet, zouden we kunnen toevoegen).

We hebben gezien dat Kant via een rollenspel probeert om dusdanige nuanceringen in zijn positie aan te brengen dat hij enerzijds alles kan zeggen wat hij wil (ook tegen de koning), terwijl hij anderzijds de grenzen van zijn leeropdracht niet overschrijdt. Door dit laatste kan er geen enkele twijfel ontstaan over zijn loyaliteit aan het wettige gezag. Kant is leraar van de jeugd, volksleraar, geleerde en onderdaan in één. Kunnen we met deze casus in ons achterhoofd proberen om tot een kritiek van de vrije meningsuiting te komen?

Wat zijn haar mogelijkheidsvoorwaarden? Wat zijn, met andere woorden, haar bron, haar principes en haar grenzen? Laten we beginnen met het laatste, dat is het makkelijkste. Er zijn geen grenzen, de vrijheid waar het hier om gaat is onbeperkt. Maar misschien moeten we — analoog aan de casus van Kant — daarbij de aantekening maken dat er wel beperkingen zijn, maar alleen uiterlijke, van de zijde van het wettelijke gezag. We kunnen dan in ieder geval stellen dat er geen innerlijke beperkingen zijn, van innerlijke dwang is nooit sprake. We hoeven geen smakeloze oproep tot fatsoen te doen. Over eventuele principes kunnen we waarschijnlijk ook kort zijn. Die lijken er ook niet te zijn: daarom is die vrijheid onbeperkt. Om tenslotte een antwoord te krijgen op de vraag naar de bron van meningsuiting moeten we de bron van meningen opzoeken en dat is makkelijker dan het lijkt. De oorsprong van de mening is gelegen in de meningsvorming (dat klinkt goed kantiaans: hoe is een mening mogelijk? Op grond van haar vorming). Een mening is er niet vanzelf, het is geen gegeven dat moet worden opgediept, maar het is iets dat wordt gevormd. Ook de meningsvorming, zou je kunnen zeggen, is op haar beurt natuurlijk aan voorwaarden gebonden, maar het aardige van Kants standpunt is nou net dat hij die vorming overlaat aan het vrije spel van het publieke debat. Het openbare debat is de voorwaarde voor meningsvorming.

Hier vinden we misschien het meest interessante punt voor een kritiek van de vrije meningsuiting. Meningen worden gevormd. We hebben ze niet en ze zijn niet gegeven. Een belangrijke reden voor het ontstaan van recente incidenten rond vrije meningsuiting is mijns inziens gelegen in het feit dat we al te makkelijk geneigd zijn om de mening en de persoon met elkaar te identificeren. De mening beschouwen we als de uitdrukking van wat de spreker toebehoort; van iets eigens, als de expressie van wat haar identificeert en legitimeert. De mening als identiteits- en legitimatiebewijs van het eigen ik, of als label waarmee we anderen kunnen identificeren. Kant voelt geen noodzaak om zich te identificeren of legitimeren. Zijn opstelling in de casus getuigt van het feit dat hij beseft dat identificatie en legitimatie niet adequaat zijn, omdat hij zowel onderdaan als vrij burger, zowel leraar van de jeugd als geleerde is. Het is moeilijk — zelfs onmogelijk — de verschillende rollen in één identiteit te vatten, maar dat is misschien ook helemaal niet erg. Als de mening niet de expressie of reflectie van een identiteit is, en dus in zoverre niet bij voorbaat gegeven is, maakt dat meningsvorming juist mogelijk.

De vraag hoe deze meningsvorming zich feitelijk voltrekt is minder interessant dan de voorwaarde waaronder ze zich voltrekt. Kant is daar duidelijk over: het publieke debat waar het publieke gebruik van de rede wordt gepraktiseerd biedt de kaders, of het strijdperk waar ingebrachte meningen hun waarde moeten bewijzen. De kaders en de grenzen worden gevormd door de argumentatieve kracht van de ingebrachte meningen. Ook de vraag wat de precieze uitkomst moet zijn (consensus bijvoorbeeld) is van ondergeschikt belang: er zijn immers bij voorbaat geen grenzen en principes die gelden, dus moet je zeggen dat wat zijn waarde bewijst de uitkomst zal zijn (in plaats van dat de uitkomst op voorhand aan bepaalde waarden moet voldoen).

Als we mening en persoon niet meer met elkaar verwisselen en identificeren, dan hoef je ook niet meer te zeggen dat we een mening hebben. Een mening is niet van jou. Het is een element dat in het publieke debat wordt ingebracht en in functie staat van dat debat. Daar geldt de redelijkheid, dat wil zeggen: de argumentatie. Als de vrije meningsuiting onder deze condities plaatsvindt biedt dat geen garantie dat er zich geen incidenten meer voor zullen doen. Maar als ze zich voordoen hoef je er niet van uit te gaan dat er veel op het spel staat (zoals je identiteit). Het is maar een mening die in het geding is. In het beste geval resulteert het in een goed gesprek; een gesprek dat onderhoudend, vermakelijk en misschien leerzaam is. Wat willen we nog meer?

 

 

 

Tags: , , ,

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn geen reacties op dit artikel

Reageer op dit artikel




Bericht