Deconstructie in werking

Vrouw, stijl, waarheid
Auteur(s): Edwin Wenink | Categorie: Podium

Het werk van Derrida wordt doorgaans geschaard onder de noemer ‘deconstructie’. Bij het beantwoorden van de vraag wat deconstructie is schiet men al snel voorbij aan wat deconstructie inhoudt. Misschien moet men eerst vragen of deconstructie wel een bepaalde inhoud, een algemene betekenis heeft – misschien moet eerst een deconstructie van de deconstructie plaatsvinden. De veronderstelling in de vraag ‘wat is deconstructie’ is namelijk zelf onderwerp van deconstructie. Deze vraag vertrekt vanuit het verlangen de deconstructie terug te werpen op een bepaalbaar wezen, op volledige aanwezigheid en vaste betekenis. Het is een essentialistische en een ontologische vraag. De deconstructie staat nu juist op gespannen voet met dit type vragen. Het is moeilijk een bevredigend antwoord te geven op de vraag wat deconstructie is, wanneer dit antwoord de deconstructie in zekere zin negeert. Toch poog ik iets dergelijks in dit essay. Ik zal dat echter niet doen door bovenstaande vraag direct te beantwoorden, maar door te laten zien hoe deconstructie werkt. Op die manier poog ik de deconstructie te verhelderen zonder haar onrecht aan te doen. De vraag wat deconstructie is verschuift dus naar de vraag naar de werking van deconstructie. Ik licht die aanpak weldra toe. Ik behandel de vraag naar de werking van deconstructie aan de hand van een lezing die Derrida in 1972 uitsprak. Twee jaar later werd die lezing uitgegeven onder de naam Éperons. Le styles de Nietzsche (in het vervolg: Sporen). In deze tekst wordt een deconstructie doorgevoerd van de geslachtelijke oppositie tussen man en vrouw aan de hand van verschillende tekstfragmenten over met name de vrouw en de waarheid.

De relatie tussen de vrouw en de waarheid is niet zomaar inzichtelijk. Voordat ik die relatie uiteenzet bekijk ik twee manieren waarop de deconstructie niet begrepen kan worden. Daarna zal ik de algemene lijn behandelen waarlangs de deconstructie in Sporen plaatsvindt, om vervolgens een inhoudelijke samenvatting van Sporen te geven. De relatie tussen de vrouw en de waarheid wordt daarbij duidelijk. Aan de hand daarvan beschouw ik in mijn conclusie de werking van de deconstructie in Sporen.

Om te begrijpen waarom ik deconstructie als werking wil behandelen is het goed om kort te kijken hoe wij deconstructie niet kunnen bezien. 1 Ik behandel twee zaken. Deconstructie is 1) geen methode en 2) geen hermeneutiek.

Zoals hierboven is vermeld levert een essentialistische opvatting van deconstructie problemen op. Dit hangt samen met het gegeven dat deconstructie niet als methode opgevat kan worden. 2 Een methode is namelijk een vaste set regels die op programmatische wijze toepasbaar is op een scala aan elementen. Zo’n methode moet herhaalbaar zijn: bij het toepassen van dezelfde regels op dezelfde elementen moet een methode steeds hetzelfde resultaat leveren. Voorwaarde van dit alles is dat de methode een uitwendige relatie heeft met datgene waar de regels op toegepast worden: de methode blijft in het proces onveranderd. De deconstructie kan echter niet op deze manier begrepen worden. Deconstructie ontplooit zich in datgene dat wordt gedeconstrueerd. Het gedeconstrueerde deconstrueert zichzelf. Daarmee heeft de deconstructie strikt genomen geen object, zoals een methode dat wel heeft – de term ‘object’ impliceert dat het gedeconstrueerde buiten en tegenover de deconstructie zou staan (het Duitse ‘Gegenstand’ illustreert dit goed: object als tegenoverstaand). Daarmee is de deconstructie dus inherent aan het gedeconstrueerde, en is het geen methode. 3

Dat deconstructie voor hermeneutiek aangezien wordt is niet verwonderlijk. In beide gevallen is er sprake van een interpretatie van teksten. Toch is er een verschil dat van groot belang is bij het begrijpen van Derrida’s tekstuele strategie. Eigen aan de (vroege) hermeneutiek is namelijk de vooronderstelling dat in een tekst een a priori ware betekenis vervat ligt. Het is dan de taak van de hermeneutiek die ware betekenis, namelijk zoals de auteur de tekst bedoeld heeft, te achterhalen. Bij latere hermeneuten was er in de tekst weliswaar sprake van een pluraliteit aan betekenissen, maar die meervoudigheid bleef een in principe overzienbaar geheel. Bij Derrida is hier geen sprake meer van. Er is geen ‘tekst op zichzelf’ waarin een betekenis zou schuilen los van onze lezing en de context. Betekenis is iets wat door een lezing in een bepaalde context aan de tekst gegeven wordt. Met de steeds wisselende context en interpretatie komt een onoverzienbaar en onbegrensd betekenisveld tot stand. De naam voor het proces van voortdurende betekenisgeneratie is ‘dissémination’, een verstrooiing van betekenis. De consequentie van de disseminatie is dat er geen ware of juiste interpretatie is. 4 We zullen zien dat in Sporen dit punt behandeld zal worden aan de hand van de algemene thematiek van het fallogocentrisme. Die thematiek krijgt vorm aan de hand van aforismen over de vrouw en de waarheid.

Algemene lijn van de deconstructie

De deconstructie in Sporen vertrekt vanuit een geconstateerde seksuele oppositie tussen de man en de vrouw. De hiërarchie die aanwezig is in de oppositie tussen het schrift en de stem, beschreven door Derrida in De la grammatologie, is ook aanwezig in de oppositie tussen man en vrouw in Sporen.’ De deconstructie in De la grammatologie is programmatisch binnen het oeuvre van Derrida, en een korte behandeling van deze deconstructie kan ons helpen inzicht te krijgen in de deconstructie in Sporen. De deconstructie in Sporen heeft een soortgelijke structuur en beroept zich op begrippen die in De la grammatologie uiteengezet worden.

Zoals de stem door de metafysische traditie (die Derrida logocentrisme noemt) werd geprivilegieerd boven het schrift, omdat de stem meer aanwezig zou zijn en daarom directer verwant aan de zuivere gedachte (de ‘logos’), zo wordt van oudsher ook in de oppositie tussen man en vrouw, de man als actieve kracht geprivilegieerd boven het passieve van de vrouw. In De la grammatologie hield Derrida’s tekstuele strategie in dat hij de minderwaardige positie binnen de oppositie tussen schrift en stem herwaardeerde. Hij rehabiliteerde het schrift door te laten zien dat het schrift, de schriftuurlijkheid, juist een veel fundamenteler model vormt om de taal en de werkelijkheid 5 te begrijpen dan het gesproken woord. De stem voegt zich dus eerder naar de wetten van het schrift dan andersom. We zien dat Derrida de hiërarchie binnen de oppositie tussen schrift en stem omdraait.

Dit is echter niet zozeer wat Derrida beoogt. Het simpelweg omdraaien van de hiërarchie blijft toch wezenlijk dezelfde oppositionele manier van denken, waarbij twee vaste identiteiten, twee waarheden, tegenover elkaar worden gezet. Echter, in een tekst en in de werkelijkheid is er geen sprake van een vaste betekenis, van een waarheid. We hebben hierboven al gezien dat met de ‘disseminatie van een tekst’ bedoeld wordt dat er een verstrooiing van betekenis plaatsvindt. De tekst laat oneindig veel lezingen toe, en er is niet zoiets als een waarheid van de tekst. Derrida zegt dit op basis van wat hij ‘differance’ 6 (vanaf nu ‘differantie’) noemt. Differantie wil allereerst zeggen dat een teken betekenis krijgt door een verschilrelatie met andere tekens. 7 Dat betekent echter dat er sprake is van een onontkoombare afwezigheid van betekenis: het zijn steeds andere tekens die de betekenis van een teken bepalen. Met deze voortdurende verschilrelaties worden ‘sporen’ getrokken … en dat proces is eindeloos.

Uiteindelijk moeten we dan toegeven dat tekst (die een veld van sporen is) op zichzelf geen betekenis heeft. Betekenis blijft steeds uitgesteld in het spoor. Deze activiteit van opschorten is het tweede aspect van de differantie. Er is daarmee geen transcendentaal betekende, iets dat in een teken tot volledige aanwezigheid wordt gebracht, en dat op die manier alle sporen betekenisvolheid geeft. Wij kunnen een tekst interpreteren door sporen te trekken in de tekst, maar een dergelijke interpretatie is nooit uitputtend. Het punt van de differantie maakt duidelijk dat een denken in opposities zich niet kan beroepen op de schriftuurlijkheid (o.a. differantie) van de tekst. Men kan namelijk niet meer twee vaste betekenissen tegenover elkaar zetten, want er is geen sprake van een vaste betekenis. Wanneer je het schriftuurlijke karakter van de tekst geen geweld aan wilt doen moet het denken in opposities veranderen in een denken in differenties. Dat gebeurt, want het schrift is met inachtneming van de differantie en disseminatie op geen enkele manier positief te bepalen, en daarmee blijft de oppositie tussen schrift en stem onbeslist. Op deze manier komt de deconstructie voor in De la grammatologie, maar ook, en daarom behandel ik dit, in Sporen.

Sporen

Waar in de geslachtelijke oppositie de man van oudsher wordt geprivilegieerd boven de vrouw, zal Derrida eerst de vrouw herwaarderen. Dan zal hij laten zien dat de vrouwelijke werking, net zoals het schrift, ten grondslag ligt aan de rol die de man inneemt, om vervolgens de oppositie onbeslisbaar te laten. De deconstructie is hier dus een manier om een tekst naar haar schriftuurlijke karakter, naar haar disseminatie en differantie te begrijpen; en daarbij wordt elke poging de schriftuurlijkheid van de tekst te negeren, door het fixeren van een of andere betekenis, zoals bij het denken in opposities gebeurt, geneutraliseerd. De deconstructie speelt hier dus een bepaalde tegenstelling uit, en benadrukt het ‘open’ karakter van een tekst, die met haar differenties veel dynamischer is dan een logica van tegenstellingen het doet voorstellen. Laten we kijken naar hoe deze deconstructie zich ontwikkelt.

Een oplettende lezer zal hebben opgemerkt dat in de titel van Derrida’s essay (‘Sporen. De Stijlen van Nietszche’) het woord waarheid of vrouw niet voorkomt, maar wel de woorden ‘spoor’ en ‘stijl’. Een van de eerste opmerkingen van Derrida luidt: ‘De titel die voor deze bijeenkomst was gereserveerd luidde De vraag van de stijl. Maar – de vrouw zal mijn onderwerp zijn. Het blijft de vraag of dat neerkomt op hetzelfde – of op het andere.’ 8 Heel het essay van Derrida is steeds de afweging of de vrouw en de stijl samenvallen, of dat ze tegengesteld zijn. We zullen zien dat de verhouding van de stijl en de vrouw steeds verschuift, dat ze uiteindelijk onbeslisbaar wordt, en daarmee de (seksuele) oppositie hangende laat.

De stijl is basaal een manier van schrijven; een schrijfstijl. De stijl is een puntig voorwerp waarmee je vorm inkerft in bepaalde materie. De stijl kan dus gezien worden als een pen (stylo), maar ook, aldus Derrida, als een fallus, waarmee de man vorm geeft aan het maagdelijk onbeschreven blad, dat de vrouw is. Daarmee behoort de stijl in de uitgangspositie van de deconstructie aan de man toe. De stijl (de fallus) staat hier nog voor een helder en doordringend denken, en daarom spreekt Derrida van fallogocentrisme, dat een samentrekking is tussen ‘fallus’ en ‘logocentrisme’. Het ideaal van volledige inzichtelijkheid is een viriel ideaal; het zou de man zijn die als actieve kracht zaken helder en waarachtig kan doordenken, terwijl de vrouw een leugenachtig en passief wezen is. Haar attribuut is niet de waarheid, maar de schijn. Zij is mysterieus en ondoorzichtig. Maar juist dit prikkelt de onnozele man (de fallogocentrische filosoof), die poogt de mysterieuze vrouw op haar essentie/waarheid te vatten. Echter, aan het begin van Aan gene zijde van goed en kwaad zegt Nietzsche:

“Verondersteld dat de waarheid een vrouw is, is de verdenking dan niet gegrond dat alle filosofen, in zoverre zij dogmatici waren, de vrouwen slecht hebben begrepen? Dat de afgrijselijke ernst, de linkse opdringerigheid waarmee zij tot nu toe op de waarheid pleegden af te gaan, onhandige en onbetamelijke middelen waren om uitgerekend een vrouwspersoon voor zich in te nemen? Zeker is dat zij zich niet heeft laten innemen – en alle dogmatiek staat er vandaag de dag bedroefd en moedeloos bij. Als ze tenminste nog staat” 9

De vrouw laat zich niet op een essentie vatten. Ik verhelder dit aan de hand van een citaat over de versluiering van de vrouw, en een citaat over de vrouw en haar werking op afstand.

De sluier is in de teksten van Nietzsche een attribuut van de vrouw, zoals zij naar voren komt in het volgende fragment van Nietzsche:

“[…] de niet-goddelijke werkelijkheid geeft ons het Schone helemaal niet of slechts éénmaal. Ik wil zeggen dat de wereld overvol is van schone dingen, maar desondanks arm, zeer arm aan schone ogenblikken en onthullingen van deze dingen. Maar misschien is dit de sterkste betovering van het leven: er ligt een gouddoorstikte sluier van schone mogelijkheden overheen, veelbelovend, weerspannig, schaamtevol, spottend, medelijdend, verleidelijk. Ja, het leven is een vrouw!” 10

De sluier is dus een attribuut van de vrouw. Zij schaamt zich voor de doordringende blik van de man, die bij haar een waarheid zoekt, en versluiert zich. Maar juist die versluiering maakt nieuwsgierig naar wat versluierd wordt. De man wordt verleid en zoekt achter de sluier naar de waarheid van de vrouw. Door middel van zijn stijl probeert de man (steeds: de fallogocentrische filosoof) steeds tot die waarheid te geraken; probeert hij met zijn stijl de sluier te doorprikken om zo bij de vrouw tot op de bodem te geraken. Maar Derrida haalt Nietzsche aan, en beweert dat de diepte van de vrouw gesimuleerd is: “Men houdt de vrouw voor diep – waarom? Omdat men bij haar nooit tot op de bodem komt. De vrouw is nog niet eens vlak.” 11 Je komt, aldus Derrida, bij de vrouw nooit op de bodem, omdat zij geen bodem heeft. Zij heeft geen waarheid. De versluiering van de vrouw geeft alleen de simulatie van een waarheid: een ‘waarheid’ tussen aanhalingstekens. Op de opmerking dat de vrouw nog niet eens vlak is kom ik later terug.

Waarom is de vrouw een niet-waarheid? In het stuk “De vrouwen en hun werking op afstand” 12 beschrijft Nietzsche hoe iemand op een rots te midden van een kolkende en lawaaierige branding uitkijkt over een water. Plots ziet hij een groot zeilschip spookachtig voorbijglijden. “Met welk een toverkracht grijpt zij mij aan!” “Heeft alle rust en zwijgzaamheid van de wereld zich hier ingescheept?” En: “Elk groot lawaai maakt dat wij het geluk in de stilte en de verte plaatsen”. Het zeilschip wekt op een afstand een beeld van rust en zwijgzaamheid, dat een contrast vormt met het lawaai waarin de persoon in de branding zich begeeft. Vervolgens trekt Nietzsche de vergelijking met de vrouw: “Wanneer een man midden in zijn lawaai staat, in het midden van zijn branding van werpen en ontwerpen: ook dan ziet hij wel stille, toverachtige wezens aan zich voorbijglijden, naar wier geluk en teruggetrokkenheid hij smacht – het zijn de vrouwen.” De vrouw verleidt de man vanaf een afstand. Die afstand maakt dat de man een illusie projecteert op de vrouw: “Maar toch! Maar toch. Mijn nobele dweper, ook op de mooiste zeilschepen is er zoveel rumoer en lawaai en helaas zoveel nietig, erbarmelijk lawaai! De betovering en de machtigste werking der vrouwen is, om de taal van de filosofen te spreken, een werking op afstand, een actio in distans: daartoe behoort echter, eerst en vooral – distantie!” De stilte, teruggetrokkenheid en het geluk dat de man meende te vinden in de verte, blijkt van dichtbij niet anders te zijn dan het lawaai waarin hij zich bevindt.

De vrouw houdt dus een werking op afstand in. De man die de vrouw wil veroveren moet echter oppassen voor de verleiding op afstand. Hij moet afstand houden van de afstand. Dat kan niet simpelweg door toenadering: dat zou de dood van de man (van het waarheidlievende filosoferen) betekenen, omdat de waarheid van de vrouw een ‘waarheid’ is. Haar waarheid is voorgewend, een illusie die wordt gecreëerd in de beweging van het versluieren waarmee de vrouw een afstand creëert die de man aantrekt, en is een waarheid waar ze zelf niet in gelooft. Dat we ons op afstand van de vrouw moeten houden komt misschien omdat de vrouw de afstand zelf is, al benadrukt Derrida meteen dat dat niet gezegd kan worden. De vrouw is ook afstand tot zichzelf, en wordt daarmee een niet-identiteit, zonder ‘zelf’ of ‘waarheid’ waar de man haar op kan vastpakken. De vrouw spreidt zich, in de seksuele bewoording van Derrida. Enerzijds trekt dit de man aan, anderzijds maakt het hem onmogelijk ‘de’ vrouw te vatten op een bepaalde waarheid of essentie. “Vrouw is de naam voor de niet-waarheid van de waarheid.” 13 Het filosofisch vertoog verzinkt in de “afgrondelijke spreiding van de waarheid” 14

De geslachtelijke hiërarchie wordt omgekeerd. Waar de man meent de vrouw onder controle te hebben, blijkt dat de man juist slachtoffer is van een simulatiespel van de vrouw. Zij simuleert een waarheid te hebben: zo kan ze macht uitoefenen op de man. Zij pakt de man op zijn waarheid-fetisj, maar blijft daarmee onvermijdelijk functioneren binnen de fallogocentrische ruimte: zij blijft functioneren met het begrip waarheid, zij het op een leugenachtige manier. Dat doet zij listig uit eigenbelang. Zij speelt het spelletje mee, om het maar zo te zeggen. Zij schaamt zich ervoor de waarheid niet te hebben die het mannelijke denken overal in zoekt, en simuleert die waarheid door zich te versluieren.

De ommekeer van de geslachtelijke hiërarchie heeft op een andere manier plaats wanneer de vrouw een feministische positie inneemt. De feministe meet zich de penis aan. Zij maakt zich de mannelijke stijl eigen, en gelooft aan de waarheid; maar blijft daarmee net zoals de simulerende vrouw hierboven opgesloten binnen hetzelfde fallogocentrische raamwerk. Derrida zegt: “Het is de ‘man’ die gelooft aan de waarheid van de vrouw, aan de vrouw-waarheid. En waarachtig: de feministische vrouwen tegen wie Nietzsche sarcasme op sarcasme stapelt, zijn de mannen.” 15 Het is goed daarbij op te merken dat waar de geslachtelijke begrippen ‘man’ en ‘vrouw’ eerst naar concrete (biologische) fenomenen verwezen, zij nu daarvan zijn losgemaakt. Zij verwijzen nu naar een bepaald denkmodel, waardoor Derrida de feministen mannen kan noemen. Zij hanteren namelijk het denkschema dat we als uitgangspunt typisch mannelijk hebben genoemd, en ontsnappen daarom niet wezenlijk aan de geslachtelijke oppositie.

Om aan dat denkschema voorbij te gaan dient de geslachtelijke oppositie onbeslisbaar te worden. Wij kunnen dan de geslachtelijke identiteit niet meer lokaliseren, en dus ook nergens tegenover plaatsen. Die onbeslisbaarheid zal eigen zijn aan wat Derrida “de vrouwelijke werking” noemt, die de tekst als tekst weet te hanteren; ze zal dus overeenkomsten tonen met de differantie en disseminatie. Ik verhelder dat middels het thema van de castratie.

Het thema van de castratie heeft te maken met hoe Freud de vrouw karakteriseert. De vrouwelijke identiteit is, aldus Freud, gekenmerkt door wat zij mist: de penis. Zij verlangt het mannelijk lid onherroepelijk, maar kan niet voldoen aan het viriele ideaal, en ziet zichzelf daarom onherroepelijk als gecastreerd en ondergeschikt aan de man. Wij herkennen hierin het uitgangspunt van het fallogocentrisme. De man heeft de stijl (het doordringende heldere denken), de vrouw is het gebrek daaraan.

De “waarheid, de wetenschap, de objectiviteit” 16 waar het fallogocentrisme zich op beroept hangt dus samen met de castratie; het zijn castratie-effecten. Wat Derrida nu wil laten zien, met betrekking tot de onbeslisbaarheid van de geslachtelijke oppositie, is dat de castratie geen plaats heeft. De geslachtelijke identiteit van de man of de vrouw kan dan niet meer bepaald, niet gelokaliseerd worden. Pas dan wordt de fallogocentrische ruimte ondermijnd.

Het geloof in de castratie is typisch een mannelijk 17geloof. De castratie-effecten waarheid, wetenschap en objectiviteit zijn aspecten van het mannelijk denken. Zij zijn resultaat van de geloofde castratie van de vrouw. De vrouw van hierboven speelt zoals hierboven gezegd het spelletje mee: zij heeft de castratie-effecten nodig om te kunnen manipuleren. Maar zij gelooft er niet aan: “zij weet, op een manier waarmee geen enkele dogmatische of goedgelovige filosofie zich ooit zou kunnen meten, dat de castratie niet plaatsheeft.18 Net zoals zij weet dat de waarheid (die een castratie-effect is) geen plaats heeft, weet zij dat er geen castratiewaarheid is en dat de castratie geen plaats heeft. Precies omdat de vrouw geen essentie heeft en niet aan de waarheid gelooft kan niet gezegd worden dat de vrouw gecastreerd is. Derrida begint nu vrouw als ‘vrouw’ te schrijven. Precies omdat zij geen waarheid heeft, geen essentie heeft, kan zij niet als vrouw geschreven worden, maar als ‘vrouw’, als vrouwelijke werking die waarheid en essentie tussen aanhalingstekens hangende laat. De vrouwelijke werking trekt zich daarmee terug uit het veld van vaststaande betekenis en identiteit en heeft een schriftuurlijk karakter. Zij brengt een voortdurende betekenisverschuiving tot stand 19, houdt betekenis dynamisch, en is daarmee gelijk aan de differantie die zich als actieve kracht steeds in de oppervlakte van de tekst toont, maar zelf daaruit niet te bepalen is. Daarom kan Nietzsche zeggen: “Men houdt de vrouw voor diep – waarom? Omdat men bij haar nooit tot op de bodem komt. De vrouw is nog niet eens vlak.” 20

We hebben nu gezien dat de vrouw meerdere posities heeft doorlopen. In de eerste positie zien we de vrouw als leugen, als niet-waarheid, bekeken vanuit het waarheidsperspectief van de man. In de tweede positie zien we de vrouw als waarheid. Hier heeft de omkering van de eerste positie plaatsgevonden. Deze positie bestaat uit twee momenten. Enerzijds figureert de vrouw als waarheid, terwijl ze er zelf niet meer aan gelooft. Anderzijds identificeert de vrouw zich met de waarheid in de vorm van de feministe. In de derde en laatste positie komt de vrouw naar voren zoals ik die op het einde heb geschetst: als een actieve kracht die vergelijkbaar is met de differantie. Zij is niet meer mannelijk of vrouwelijk, op de manier zoals die geslachtelijke termen functioneren in de eerste twee posities, die beide binnen de logocentrische ruimte en de sfeer van oppositie blijven. Zij is geen vrouwelijkheid meer, maar kan alleen geschetst worden als een vrouwelijke ‘werking’, een vrouwelijke kracht die voorafgaat aan de bepaling van het mannelijke en het vrouwelijke.

De tekst is vervolgens ‘open’ te houden door het hanteren van tenminste twee stijlen. De fout van het fallogocentrisme is nu juist dat het één stijl hanteert, namelijk de mannelijke, en zo de tekst probeert vast te leggen. Precies het hanteren van meerdere stijlen (de ‘grote stijl’ van Nietzsche, aldus Heidegger) is waarom Nietzsche zichzelf vaak tegenspreekt, en zo voorkomt dat men een waarheid kan fixeren in zijn teksten. In sommige aforismen spreekt Nietzsche zonder voorbehoud waarheden uit, terwijl hij in andere aforismen de waarheid bekritiseert en ontsluiert. Dit is precies de vrouwelijke werking, die zich niet aan één bepaalde stijl committeert, maar in het hanteren van meerdere stijlen de tekst open houdt. Derrida waagt dan ook te spreken van ‘de vrouw Nietzsche’.

Deconstructie in werking

We zien dus dat de deconstructie erin bestaat dat deze de illusie van een rigide afgeslotenheid van een tekst, dat deze een te overzien systeem zou zijn, ondermijnt. Het ‘openmaken’ van de tekst is een gewelddadige aangelegenheid, maar toch mogen we deconstructie niet als louter destructie opvatten. Met het demonteren van de tekst komt er weer ruimte voor een dynamisch interpretatieproces waarbij er weer een zekere constructie plaatsvindt. De deconstructie mag dus niet louter negatief opgevat worden. Derrida benadrukt juist het affirmatieve karakter van de deconstructie, dat wil zeggen een zekere productiviteit, creativiteit, barende kracht. In dit opzicht is de deconstructie te vergelijken met de vrouwelijke werking in Sporen. 21 De constructie die bij deconstructie plaatsvindt kunnen we natuurlijk ook niet als re-constructie zien. Een tekst demonteren om hem vervolgens weer precies hetzelfde te monteren is niet wat de deconstructie beoogt; zij wil een transformatie teweegbrengen. Zij wil met die transformatie laten zien dat een tekst geen sluitend geheel is, en zoekt daarbij naar de ‘openheid’ van de tekst die nieuwe interpretaties toelaat. Zij wil de tekst demonteren om hem op een andere manier weer in elkaar te zetten. Dit proces schiet steeds enigszins voorbij aan zijn doel. Het fixeert steeds weer een nieuwe interpretatie, bevestigt steeds weer de logocentrische orde, bijvoorbeeld alleen al door haar grammaticale vorm 22. De deconstructie kan niet als een definitieve breuk met het systeem dat zij deconstrueert gezien worden, net zoals postmodernisme onherroepelijk afhankelijk blijft van het modernisme. Daarmee bevestigt het nieuwe steeds impliciet het oude. Ook de deconstructie kan dus niet gezien worden als een breuk met het ‘oude systeem’; zij is ervan afhankelijk en functioneert in dat systeem. Om te werken moet de deconstructie wel iets hebben om in te werken. Deconstructie bevestigt dus steeds wat zij deconstrueert. Dit is het dubbele gebaar van de deconstructie 23. Daarom is de deconstructie nooit klaar, nooit af. Als de deconstructie zich transformatie tot doel stelt 24, dan moet zij om aan dat doel te voldoen steeds weer herhaald worden. Derrida is dan ook zijn hele leven blijven deconstrueren.

Welnu, de vraag naar de werking van deconstructie in Sporen is inmiddels beantwoord. We zagen dat de werking van deconstructie uit twee momenten bestaat. Allereerst de ommekeer, waarin de te deconstrueren tegenstelling, waarin een hiërarchie bestond, werd omgekeerd. Daarin bleven we echter onherroepelijk binnen het systeem waarin een tegenstelling mogelijk is. Vervolgens kende de deconstructie het moment waarop werd gepoogd het gedeconstrueerde systeem te ontstijgen door begrippen te hanteren die binnen dat systeem niet hanteerbaar zijn. We zien deze beweging van ommekeer en ontstijging van de hiërarchie terug in de drie posities van de vrouw. Die beweging is de strategie waarmee de deconstructie voortdurend probeert een transformatie teweeg te brengen, en hierin bestaat de werking van de deconstructie in Sporen.

 

Notes:

  1. Ook dit is problematisch. Als deconstructie niet op een bepaalde identiteit vastgepind kan worden, hoe kan die identiteit dan ontkend worden? Het is desalniettemin verduidelijkend.
  2. Een methode kan wel essentialistisch opgevat worden. Wat is die methode? Wat is daar de essentie van? Wat maakt het tot die specifieke methode? Antwoord: een bepaalde set regels.
  3. E. Oger, Derrida. Een inleiding, Kapellen 2005 Pelckmans / Klement p. 48-49
  4. Oger, Derrida, p. 44-45
  5. De werkelijkheid heeft namelijk een schriftuurlijk karakter en kan ook ‘gelezen’ worden. Net zoals bij het schrift kan ook de werkelijkheid niet uitputtend gelezen worden, en is er geen uiteindelijke interpretatie.
  6. Het is ‘differance’ i.p.v. ‘difference’ omdat ‘differance’ ook nog de activiteit van opschorten bevat. Bovendien kan het verschil tussen beide woorden niet aangegeven worden met de stem, maar wel met het schrift, wat pleit voor het schrift als primair in het begrijpen van taal. Ik hanteer vanaf nu het woord ‘differantie’.
  7. Zie het essay ‘De een is niet de ander’ van Bas de Jonge , dat ook in deze bundel staat, voor een uitleg van tekens en hun verschilrelatie met andere tekens. Merk wel het cruciale punt op dat Derrida het teken niet meer als een vaste verbinding tussen betekenaar en betekende ziet.
  8. J. Derrida, Éperons. Les styles de Nietzsche, vertaald door Ger Groot, Amsterdam 2005 SUN, p. 47.
  9. J. Derrida, Éperons. Les styles de Nietzsche, vertaald door Ger Groot, Amsterdam 2005 SUN, p. 73.
  10. Derrida, Éperons, p. 67.
  11. Derrida, Éperons, p. 107.
  12. Derrida, Éperons, p. 57-59.
  13. J. Derrida, Éperons. Les styles de Nietzsche, vertaald door Ger Groot, Amsterdam 2005 SUN p. 67.
  14. Derrida, Éperons, p. 67.
  15. J. Derrida, Éperons. Les styles de Nietzsche, vertaald door Ger Groot, Amsterdam 2005 SUN p. 85.
  16. Derrida, Éperons, p. 87.
  17. Mannelijk is hier weer een denkmodel, dat weliswaar in de uitgangspositie samenvalt met de (biologische) man, maar later ook van toepassing is op de feministe.
  18. Derrida, Éperons, p. 81.
  19. De vrouw houdt zich voortdurend op afstand. Ook hierin vergelijk ik haar met de differantie: deze is immers ook de activiteit van het voortdurend opschorten, op afstand houden.
  20. J. Derrida, Éperons. Les styles de Nietzsche, vertaald door Ger Groot, Amsterdam 2005 SUNp. 107.
  21. J. Derrida, Éperons. Les styles de Nietzsche, vertaald door Ger Groot, Amsterdam 2005 SUN, noot 75.
  22. Denk bijvoorbeeld aan de uitspraak van Derrida dat de vrouw misschien wel de afstand zelf is. De taal die hij hanteert is logocentrisch in haar suggestie van een essentie, en Derrida ziet zich dan ook genoodzaakt zijn uitspraak te nuanceren.
  23. Derrida, Éperons, noot 235.
  24. De transformatie zelf wordt niet gestuurd door een doel. Dat zou de mogelijkheden van de transformatie inperken, terwijl juist de deconstructie oog heeft voor de oneindigheid van interpretaties.

Tags: ,

Download als PDF
| RSS 2.0 | Reageer op dit artikel

Er zijn 2 reacties op dit artikel

  • Jan-Peter

    Zonder ‘wat’ geen ‘werking’. Voortdurende deconstructie zorgt voor vormloosheid. Vorm zorgt voor begrenzing. Vorm zorgt voor logica, intelligentie, man, vrouw, ouder, kind. Vorm zorgt voor complementariteit, niet voor een diversiteit die eigenlijk het verschil niet kent tussen verschil en eenheid terwijl het wel daar op zegt te steunen. Aan logica ontkom je niet, noch aan vorm, ook de deconstructie niet. Dat is de faal van Derrida.

  • It’s impressive that you are getting thoughts from this post as well as
    from our argument made at this time.

    maglia Leverkusen

Reageer op Jan-Peter




Bericht